coen_wessel

'Heb je mij lief?'

Johannes 21:15-23 De Lichtkring 21 april 2021

Er moet iets uitgepraat worden. Na een knallende ruzie in de familie. Een collega misdraagt zich en jij zit met de brokken. Of je kind is heel duidelijk over de schreef gegaan. De grootste emoties zijn wat afgekoeld, er is wat tijd overheen gegaan, maar je kan niet zomaar verder. Er is wel degelijk wat gebeurd. Niet alle details hoeven uitgespit te worden, maar er moet wel iets gezegd worden.

Petrus heeft Jezus verloochend. Tot drie keer toe heeft Petrus gezegd dat ie nog nooit van Jezus gehoord had. Uit angst om ook opgepakt te worden. Of om in elkaar geslagen te worden of wat dan ook. Maar wat voor reden Petrus ook precies had, in het uur dat Jezus geslagen, veroordeeld en gekruisigd wordt, geeft Petrus niet thuis.

Het wonder van dit verhaal is dat Petrus niet wordt weggestuurd, Petrus wordt ook niet gestraft, maar hij wordt aangesproken. 

Voor mij heeft dat te maken met hoe God met ons omgaat als de dingen fout gegaan zijn. Dan legt hij in de eerste plaats een vraag bij ons neer. ‘Mens, waar ben je’ vraagt hij in het paradijs als de mens zich verschuilt in het struikgewas. ‘Waar is je broer’ vraagt hij aan Kaïn nadat Kaïn zijn broer Abel heeft doodgeslagen. Het is een vraag die oproept tot zelfreflectie. Tot het kijken in je eigen ziel.  Ook aan Petrus wordt een vraag gesteld. ‘Heb je mij lief’, vraagt Jezus. Ja, hoe zit het precies met jou. Hoe zit het met je liefde voor mij? 

Ik denk dat Christus dat ook aan ons zal vragen als we voor zijn rechterstoel verschijnen. Niet meteen een oordeel, hup, hup, maar eerst maar eens een vraag. `Heb je mij lief?’ Misschien ook wel de belangrijkste vraag in ons leven: heb jij, heeft U Jezus lief. Daar word je op aangesproken. Dat is de vraag die je tot zelfreflectie over je leven kan voeren. Voordat je in de hemel komt is dat de vraag om over na te denken: heb ik Christus voldoende liefgehad. En natuurlijk is het nog veel beter om daar niet mee te wachten tot je voor Christus verschijnt. Het beste is natuurlijk om die vraag nu toe te laten in je leven. Om nu al dat zelfonderzoek te doen, hoe pijnlijk dat misschien ook is. De vorige Paus (Benedictus XVI) zei daar over:

‘De ontmoeting met Christus kan ook iets pijnlijks hebben. Alles wat we tijdens ons leven opbouwen, kan blijken te zijn van louter stro, alleen maar ruis en lawaai, en het stort in. De ontmoeting met Christus heeft daarmee ook iets pijnlijks, wanneer de onreinheid en ziekte van ons leven duidelijk voor ons worden. Maar het is een gezegende pijn, waarin de heilige kracht van zijn liefde als een vlam door ons heen blaast, waardoor we volledig onszelf en zo totaal van God kunnen worden. De ontmoeting met Christus transformeert en bevrijdt ons, waardoor we echt onszelf kunnen worden’.

Jezus roept ons op om hem lief te hebben, ons met hem in liefde te verbinden. Hij dringt er bij ons op aan om onze ziel, onze identiteit, ons menszijn om te vormen, zodat die anders wordt, beter, mooier, meer lijkend op hem. Beeld van Christus te worden. Om ons te laten doordringen door hem. Door zijn liefde. 

Petrus is na de opstanding van Jezus maar weer gaan vissen. Maar daar kan hij niet mee door gaan. Hij kan zich niet terugtrekken op zichzelf en het aangenaam vinden zoals hij leeft met zichzelf en met Christus. Hij krijgt de opdracht om zich te binden aan de mensen van Christus. En meer zelfs, om een taak op zich te nemen, om leiding te geven. ‘Hoed mijn schapen, zegt Jezus tegen Petrus. Zorg voor mijn mensen, voor mijn gemeente. De liefde tot Christus is er niet op zich. Zo van: nu ben ik vol van Christus, nu ben ik een goed mens geworden en nu ga ik goede dingen doen. De liefde van Christus in ons bindt ons ook aan een gemeenschap. Bindt ons aan Christus’ gemeente. De verloochening door Petrus was niet alleen een verloochening van Jezus, maar ook een verloochening van de gemeenschap van Christus, een afstand nemen van de andere leerlingen. ‘Jij hoorde toch ook bij die man?’ ‘Nee, ik hoorde daar niet bij’. Ik was niet een van die mensen. Ja, zegt Jezus, jij bent wel een van die mensen, dat kan je niet loochenen. En daarom: zoek mijn mensen op en ga leiding geven.

Niet ieder van ons is geroepen om leiding te geven – ieder van ons heeft verschillende gaven, er zijn ook gaven om de beamer te bedienen of om mensen te bemoedigen – maar ieder van ons heeft wel de opdracht om zich te verbinden aan de gemeente. Dat kan in de Meerkerk zijn of in de parochie. Dat kan in de Marktpleinkerk zijn of in de Ark of in De Lichtkring, maar doorstroomd worden door de liefde van Christus betekent: bij Christus mensen zijn, je daar niet voor afsluiten: hier is je plaats. 

En als Petrus dan tot drie keer toe gezegd heeft, dat hij Jezus liefheeft, dan vertelt Jezus waar dat op uit zal lopen voor Petrus. ‘Toen je jong was, deed je zelf je gordel om en ging je waarheen je wilde’. Toen Petrus jong was omgordde hij zichzelf (vs. 7). Hij dacht: ik doe wat ik wil, ik ben autonoom, ik bepaal de eigen koers in mijn leven. ‘Maar’ zegt Jezus tegen Petrus ‘als je oud geworden bent dan is het alsof een ander je omgord en je brengt waarheen je niet wil’. Dat is het waar het liefhebben op uit loopt. Jij, als mens, blijft niet jezelf. Je bent gehackt en je wordt overgenomen. Je wordt doorstroomd met liefde en dat zal er toe leiden dat…

Petrus had Jezus verloochend om zijn eigen hachje te redden. ‘Nee, ik hoor niet bij Jezus, ik hoor niet bij zijn volgelingen’. En hier voorzegt Jezus dat de liefde van Petrus voor de gemeente van Christus er uiteindelijk toe zal leiden dat Petrus net als Jezus zijn leven zal geven voor de gemeente van Christus. Dat is waar de liefde van Christus op uitliep. ‘Hij heeft de zijnen liefgehad tot het einde’, zo begint de lijdensgeschiedenis in het evangelie van Johannes. De uiterste consequentie van Christus’ liefde voor ons was zijn kruisdood. En zo zal ook de liefde van Christus die door Petrus stroomt uitlopen op zijn martelaarsdood. 

In een buitenbijbels geschrift, de Handelingen van Petrus (XXXV), wordt verteld over deze martelaarsdood van Petrus. Petrus is inderdaad de kudde gaan leiden. En net als Paulus is hij naar Rome getrokken en leidt hij daar de christelijke gemeente. En dan komt er een moment, dat de christelijke gemeente vervolgd wordt in Rome, zo erg dat de christenen, en zeker ook Petrus, voor zijn leven moet vrezen. Het is eigenlijk net zo’n zelfde moment als Witte Donderdag. Petrus staat opnieuw voor de keuze: vluchten, de boel in de steek laten of blijven, bij de gemeente, bij de kudde blijven als een trouwe herder. En Petrus, typisch Petrus, doet wat in zijn aard zit, hij herhaalt een oud patroon, hij vlucht opnieuw. Maar dan, even buiten Rome, komt hem een man tegemoet. En Petrus herkent hem, het is Jezus. Petrus is in verwarring en vraagt hem, Heer, waar gaat u naar toe, Quo vadis? (Zie ook Johannes 13:36) En Jezus antwoordt hem: ik ga naar Rome om daar opnieuw gekruisigd te worden. Want als geloofsleerlingen als Petrus geen getuigenis van hun geloof geven, dan is die eerste kruisiging blijkbaar tevergeefs geweest. Dan komt Petrus komt tot inkeer. Hij wil niet opnieuw Jezus verloochenen. Hij draait zich om, gaat terug naar Rome, gaat terug naar de christelijke gemeente in Rome, is weer bij hen en legt daar getuigenis van zijn geloof af. Zo laat hij zien dat de liefde voor 

Jezus, de liefde van God, ook een liefde voor de gemeente is, een liefde die zo groot is dat hij zijn leven voor hen geeft. Want was hun herder weggelopen, dan hadden ze ook makkelijk de moed opgegeven, hadden ze gedacht: als het er op aan komt stelt ons geloof niets voor, maar nu laat hun herder zien wat het is om een echte herder te zijn: een herder die zijn leven inzet voor zijn kudde. Een man die niet wegloopt, maar liever sterft. Zo zien zij de kracht van hun geloof, houden ze moed en kunnen ze verder gaan, als de vervolgingen minder worden, in de gedachtenis dat je zo in de voetsporen van Jezus kan stappen.

Of dit nu precies zo gebeurd is, vind ik niet belangrijk, maar dit buitenbijbelse verhaal legt het evangelieverhaal uit. Het is een christelijke midrasj. Het verhaal peilt waar het in het evangelie om gaat. Jezus liefhebben, is zijn mensen liefhebben als Jezus. En liefhebben als Jezus is iets op het spel durven te zetten. Tot je leven aan toe.

God legt ons een vraag voor. Waar ben je, waarom verschuil je je. Waarom schaam je je. Heb je daar reden. Of hij vraagt ons: waar is je broer, heb je niet op hem gelet, waarom leeft hij niet, waar is hij gebleven. Of de vraag van Jezus: heb je mij lief? Durf je het aan om je door mij te laten raken, te laten doorstromen. Durf je het aan om dan anderen lief te hebben, je bij hen aan te sluiten. Hen lief te hebben tot het einde aan toe? Amen.



 

Comments for this post were locked by the author