coen_wessel

Pasen 2021

Ezechiël 37:1-10 en Johannes 20:1-20 Eerste Paasdag 4 april 2021 De Lichtkring 

Als je wint heb je vrienden, zongen Herman Brood en Henny Vrienten ooit. Een songtekst met een bittere smaak, want je hoort er ook het tegenstelde doorheen: als je niet wint, dan heb je geen vrienden. Als je niet wint word je in de steek gelaten. Dat is gelukkig niet altijd zo. Hier in onze gemeente proberen we er alles aan te doen om te zorgen dat we juist bij verlies voor elkaar klaar staan. Langs gaan bij mensen, voor zover dat kan, opbellen. Vlak voor Pasen viel bij gemeenteleden die wat ouder zijn of die het moeilijk hebben een kaartje in de bus, als een gebaar van hartelijkheid. Maar om elkaar te blijven vinden, om elkaar vast te houden bij verdriet of bij een nederlaag is wel een opgave. Dat is niet zo makkelijk. Petrus, Johannes en al die andere leerlingen van Jezus lukt dat niet. Als Jezus gearresteerd wordt in de hof van Getsemane, vluchten zijn leerlingen allemaal een andere kant uit. Verstrooid, verdwaald. Petrus roept zelfs dat hij Jezus helemaal niet meer kent. Jezus, nooit van gehoord. Nou ja, een jeugdzonde.

Nu de Coronaepidemie zo lang duurt is het moeilijker om elkaar vast te houden. Sowieso omdat je elkaar minder ziet. Het is prachtig dat we Kerktv hebben, maar het haalt het niet bij een viering met u allen hier in De Lichtkring. Je mist elkaar en tegelijkertijd nemen de irritaties toe. In organisaties, in gezinnen. Ruzies over hoe je je precies aan de Coronamaatregelen moet houden. ‘Je kan toch wel makkelijk bij mij langs komen, wil je soms niet?’ Het is een soort gebrek aan goede moed zich ook tot andere terreinen uitbreidt. Lontjes worden kleiner. En er komen kleine en grote ontploffinkjes, ook bij mensen die meestal gemoedelijk zijn. De epidemie leidt niet meer tot een gevoel van ‘we zetten met elkaar de schouders er onder’ – een stemming die er een jaar geleden nog wel was - maar tot een onrust en ongenoegen, een negatieve energie die alle kanten op schiet. Vriendinnen nemen afscheid van elkaar omdat de een vol voor allerlei complottheorieën gaat. Mensen laten elkaar los. 

Ezechiël staat in een nog veel ernstiger situatie. Zijn volk is verslagen, er zijn ontzettend veel mensen vermoord en zijn volk is in ballingschap weg gevoerd. Hoe moet dat zijn? Ezechiël ziet zijn volk na de nederlaag tegen de koning van Babel als een hoop verstrooide beenderen. Een macaber, maar wel een heel helder beeld. Uiteengejaagde, verstrooide mensen. Niets bindt hen meer. De beenderen zijn bovendien dor. Ze zijn uitgeblust, zoals een mens uitgeblust kan zijn. Geen sprankje leven meer. “Onze hoop is vervlogen, het is met ons gedaan”. 

Het meest logische en humane als je mensenbeenderen aantreft, zou zijn dat je ze begraaft. Dat je hen een fatsoenlijke begrafenis geeft. Begraven is een van de zeven werken van barmhartigheid. En de mensen die Jezus begraven, Jozef van Arimathea en Nicodemus, die doen dat uit liefde en respect. 

Maar God heeft iets anders met de dorre beenderen voor. God stelt een vraag: ‘kunnen deze beenderen tot leven komen?’ God stelt een vraag. Hij legt een vraag in ons midden: kan het ook anders? Kan het anders dan dat een volk uit elkaar valt na een nederlaag, zoals de leerlingen van Jezus. Kan het anders dan dat mensen elkaar achtervolgen met verwijten en van elkaar vervreemd raken.‘Kunnen deze beenderen tot leven komen?’ Kan het nog anders dan dat wij wegzinken in boosheid en depressie. Dat er misschien alleen nog maar tranen overblijven. Is iets anders mogelijk. Zou er dan niet toch een uitweg zijn, een herleving, een opstanding? 

Als Maria op de eerste dag van de week bij het graf komt, komt een opstanding niet in haar op. Ze ziet dat de steen van de opening van het graf is weggehaald en ze denkt aan grafroof. De grafrust is verstoord, hij is niet meer respectvol begraven. Ze heeft Jezus verloren, ze hebben hem gekruisigd en nu hebben ze ook nog zijn lichaam weggehaald. En vol ontzetting gaat ze naar de leerlingen toe.

Even later staat ze daar opnieuw. Ze huilt. Haar verdriet is nog even groot en ze kijkt in het graf. Maar de sfeer om haar heen is veranderd. Er is iets van de hemel in het graf gekomen. Twee engelen in witte kleren zitten in het graf. Dit is de essentie van Pasen. Dat de hemel inbreekt in het graf. Bevangen door verdriet kijkt Maria in het graf. Maar om haar heen heeft God de wereld veranderd. God breekt in in ons verdriet, in onze dorheid, onze versplinterdheid en verstrooidheid. God geeft een andere draai aan de doodsheid van zijn zoon, in de doodsheid van zijn volk. God breekt in, God opent het graf en houdt het bezet met zijn hemel. 

Heel langzaam gaan de ogen van Maria daarvoor open. Waarom huil je vragen de engelen. Maar Maria is nog helemaal in haar verdriet en kan alleen haar verdriet herhalen: ‘Ze hebben mijn Heer weggenomen’. Waarom huil je vraagt Jezus haar. Wie zoek je? Maar ook de vraag die Jezus rechtstreeks aan haar stelt is niet voldoende. Zijn gestalte herkent ze niet en zelfs zijn stem herkent ze niet. En dan noemt Jezus Maria bij haar naam. ‘Maria’ zegt hij.

Bij je naam genoemd worden. Hoe kostbaar is dat. Dat iemand weet wie je bent. Onze organist Cor Timmerman vertelde bij de voorbereiding van deze dienst over zijn vader. Zijn vader wordt weliswaar liefdevol verzorgd in het huis waar hij woont, maar ja, zoveel mensen zijn weggevallen. En de mensen die hem verzorgen, ze zijn geweldig, maar zijn vader klaagt wel: ‘Niemand noemt me meer bij mijn naam. Iedereen zegt: ‘meneer Timmerman’, niemand noemt me meer Klaas. En Cor vertelde dat hij, toen zijn vader jarig was, het woord in de familiekring genomen had, en tegen zijn vader had gezegd: ‘Vandaag zal ik je een keer Klaas noemen, want dat hoor je zo weinig meer’. Prachtig.

Maria hoort haar naam en dan beseft ze dat Jezus leeft. Maar wat is het moeilijk om te leven en je te realiseren dat Christus is opgestaan. Dat dat een realiteit is. Om te leven vanuit de wetenschap, het gevoel, de waarheid dat God een keer heeft gemaakt. Het ligt toch meer voor de hand dat Jezus is weggenomen en het ligt toch meer voor de hand om te blijven bij dat gevoel van ‘zij hebben hem weggenomen’. Om te blijven bij het tekort, bij je machteloosheid, bij verdriet en bij woede. Maar als het waar is dat God Jezus heeft doen opstaan, als het waar is dat God zijn levensadem blaast, dan moet je ook anders in het leven staan. Dan vraagt dan een ander leven van je. Dan is deze wereld – met al het verdriet dat er natuurlijk ook is – in de eerste plaats een plek van Gods genade, van Gods liefde. En Christus is opgestaan. Onze wereld is daarvan vervuld. Onze wereld is in de eerste plaats een wereld waar Gods geest waait. Het is een tuin, waar het zaad vrucht geeft en de knoppen openbarsten.

Als Ezechiël zich realiseert wat God gaat doen, dan krijgt hij eerst de opdracht om al die verstrooide beenderen aan te spreken. Om ze te bemoedigen. Om al die mensen die de moed opgeven. Die denken: duurt te lang. Wat kan mij die corona-regels nog schelen, het houdt toch nooit op. Ik ga feesten. Die mensen worden weer bij elkaar gebracht. Die gaan weer een betrokken geloofsgemeenschap vormen. Zoals wij dat nu al zijn met alles wat we doen om elkaar vast te houden en te bemoedigen, maar straks nog veel meer, hier in De Lichtkring. En daarna krijgt Ezechiël een nieuwe opdracht: hij moet niet alleen de beenderen aanspreken, maar ook de wind – hij moet ook de Geest, hij moet ook de adem van God aanspreken: blaas Geest ons aan, raak ons aan met uw adem, roept Ezechiël, zet ons hart in vlam. En Gods geest doet ook hen opstaan. Ze krijgen moed om vol te houden. Hij geeft ze hoop. Voor veel meer dan de Corona-crisis, alleen. Voor al die crisissen die er in ons leven zijn en voor al die crisissen die er gaan komen. 

Pasen is het verhaal dat Jezus is opgestaan. Pasen is het verhaal dat Maria ontdekt dat God Jezus heeft opgewekt. Pasen is het verhaal dat Gods geest door de wereld blaast. Dat hij zijn adem in ons blaast en ons doet opstaan. 

Coen Wessel

Ezechiel 37:1-10

1Ik werd opnieuw door de hand van de HEER gegrepen. Zijn geest voerde mij mee en hij zette mij neer in een dal vol beenderen. 2Ik moest er aan alle kanten omheen lopen, en zo zag ik dat er verspreid over het dal heel veel beenderen lagen, die helemaal waren uitgedroogd. 3De HEER vroeg mij: ‘Mensenkind, kunnen deze beenderen weer tot leven komen?’ Ik antwoordde: ‘HEER, mijn God, dat weet u alleen.’ 4Toen zei hij: ‘Profeteer, en zeg tegen deze beenderen: “Dorre beenderen, luister naar de woorden van de HEER! 5Dit zegt God, de HEER: Beenderen, ik ga jullie adem geven zodat jullie tot leven komen. 6Ik zal jullie pezen geven, vlees op jullie laten groeien en jullie met huid overtrekken. Ik zal jullie adem geven zodat jullie tot leven komen, en jullie zullen beseffen dat ik de HEER ben.”’

7Ik profeteerde zoals mij was opgedragen. Zodra ik dat deed hoorde ik een geluid, er klonk een geruis van botten die naar elkaar toe bewogen en zich aaneen voegden. 8Ik zag pezen zich aanhechten en vlees groeien, ik zag hoe er huid over de botten heen trok, maar ademen deden ze nog niet. 9Toen zei hij tegen mij: ‘Profeteer tegen de wind, profeteer, mensenkind, en zeg tegen de wind: “Dit zegt God, de HEER: Kom uit de vier windstreken, wind, en blaas in deze doden, zodat ze weer gaan leven.”’ 10Ik profeteerde zoals hij mij gezegd had, en de lichamen werden met adem gevuld. Ze kwamen tot leven en gingen op hun voeten staan: een onafzienbare menigte.

Johannes 20:1-18

Vroeg op de eerste dag van de week, toen het nog donker was, kwam Maria uit Magdala bij het graf. Ze zag dat de steen van de opening van het graf was weggehaald. 2Ze liep snel terug naar Simon Petrus en de andere leerling, van wie Jezus veel hield, en zei: ‘Ze hebben de Heer uit het graf weggehaald en we weten niet waar ze hem nu neergelegd hebben.’ 3Petrus en de andere leerling gingen op weg naar het graf. 4Ze liepen beiden snel, maar de andere leerling rende vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf. 5Hij boog zich voorover en zag de linnen doeken liggen, maar hij ging niet naar binnen. 6Even later kwam Simon Petrus en hij ging het graf wel in. Ook hij zag de linnen doeken, 7en hij zag dat de doek die Jezus’ gezicht bedekt had niet bij de andere doeken lag, maar apart opgerold op een andere plek. 8Toen ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf gekomen was, het graf in. Hij zag het en geloofde. 9Want ze hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat hij uit de dood moest opstaan. 10De leerlingen gingen terug naar huis.

11Maria stond nog bij het graf en huilde. Huilend boog ze zich naar het graf, 12en daar zag ze twee engelen in witte kleren zitten, een bij het hoofdeind en een bij het voeteneind van de plek waar het lichaam van Jezus had gelegen. 13‘Waarom huil je?’ vroegen ze haar. Ze zei: ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze hem hebben neergelegd.’ 14Na deze woorden keek ze om en zag ze Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was. 15‘Waarom huil je?’ vroeg Jezus. ‘Wie zoek je?’ Maria dacht dat het de tuinman was en zei: ‘Als u hem hebt weggehaald, vertel me dan waar u hem hebt neergelegd, dan kan ik hem meenemen.’ 16Jezus zei tegen haar: ‘Maria!’ Ze draaide zich om en zei: ‘Rabboeni!’ (Dat betekent ‘meester’.) 17‘Houd me niet vast,’ zei Jezus. ‘Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Ga naar mijn broeders en zusters en zeg tegen hen dat ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is.’ 18Maria uit Magdala ging naar de leerlingen en zei tegen hen: ‘Ik heb de Heer gezien!’ En ze vertelde alles wat hij tegen haar gezegd had.

Comments for this post were locked by the author