coen_wessel

Kant en de exodus uit het paradijs

In 1784 gaf de filosoof Immanuel Kant zijn beroemde definitie van de ‘Verlichting’, de grote filosofische, politieke en culturele beweging uit het einde van de 18e eeuw. ‘Verlichting’, schreef hij ‘is het uitgaan van de mens uit zijn zelfverschuldigde onmondigheid. Unmündigkeit ist das Unvermögen, sich seines Verstandes ohne Leitung eines anderen zu bedienen. Selbstverschuldet ist diese Unmündigkeit, wenn die Ursache derselben nicht am Mangel des Verstandes, sondern der Entschließung und des Mutes liegt, sich seiner ohne Leitung eines anderen zu bedienen. ‚Sapere aude! Habe Mut, dich deines eigenen Verstandes zu bedienen!‘ ist also der Wahlspruch der Aufklärung'. 

Het is een definitie vol met bijbelse associaties. Het gaat over een ‘uitgaan’. Zoals ooit het volk Israël uit de knechting in Egypte trok zo moet nu ‘de mens’ een andere knechting verlaten, de knechtschap van zijn zelfverschuldigde onmondigheid. Met de woorden ‘schuld’ , ‘onmondigheid’ en ‘mens’ zitten we in een ander bijbelverhaal, het verhaal over de zondeval en de verbanning van de mens ( Adam) uit het paradijs. Uit Kants definitie kan je lezen dat hij dit verhaal op een heel specifieke wijze las. Voor Kant is de mens in het paradijs onmondig. Onmondigheid heeft voor Kant te maken met het onvermogen om zich van zijn verstand te bedienen zonder de leiding van een ander. Onmondigheid is ook een juridische term. Een onmondige mens is nog minderjarig en niet handelingsbekwaam. Immanuel Kant ziet de mens in het paradijs als een onmondige mens. Hij heeft nog geen kennis, hij heeft nog niet gegeten van de boom van de kennis van goed en kwaad. Er is nog een ander die leiding aan hem geeft. Hij is als een minderjarige die nog onvoldoende verstand heeft en zich in zijn handelen door zijn vader moet laten leiden. Daar moet de mens uit vandaan. Het verlaten van deze toestand – het weggaan uit de tuin van Eden - is in werkelijkheid een bevrijdende uittocht.

Ook voor Kant heeft de mens schuld, zo blijkt uit de regels die direct op zijn definitie volgen. Maar de mens kan zijn schuld niet afschuiven op de slang of op zijn vrouw, hij is zelf schuldig. En waar bestaat die schuld uit? Zijn schuld bestaat uit zijn gebrek aan moed. De mens moet durf en moed hebben om zelf te denken. De hoofdopdracht in het leven is niet om Gods gebod te volgen, maar om zelf te denken. Beslissen, kiezen, niet laf zijn, moed tonen, durf hebben, het zijn allemaal meer Antieke en Germaanse dan bijbelse deugden. 

Het is opvallend dat Kants exegese in hoofdlijnen overeenkomt met de exegese van het Genesis-verhaal in niet-orthodoxe buitenbijbelse geschriften. In het ‘Geheime boek van Johannes’ belandt Adam in het paradijs. Maar dat paradijs is helemaal niet paradijselijk, eigenlijk is het een plaats van gif en dood. Er is maar één boom met goede vruchten, dat is de boom van kennis van goed en kwaad. Niet de slang, maar Christus zelf, spoort de mens er toe aan om toch van deze boom te eten. Het bijbelverhaal wordt hier dus omgedraaid. Weggaan uit de tuin van Eden is een navolging van Christus.

Hier zie je het ethos van een generatie intellectuelen die in de jaren zestig en zeventig de kerk verlieten. Zij ervoeren hun kerkverlating als een heilzame uittocht. Men meende nu ‘zelf te gaan denken’ en men dacht dat dat een daad vol moed was. Kerk en geloof verkochten zich als paradijs, maar waren eigenlijk een plaats van vergif. 


Comments for this post were locked by the author