C.wessel Volzin

De roeping van Samuel (1 Samuel 3)

*zwaait met papier* Weet u wat dit is? Dit is een papier dat ik in april van de landelijke kerk gekregen heb en dat verklaart dat ik min of meer in dienst van de kerk ben. En daarmee zou ik kunnen aantonen dat ik een cruciaal beroep heb. Daar mag u me toch wel mee feliciteren, hè. Cruciaal beroep.  

Weet u, het kan voorkomen dat ik ’s avonds geroepen word bij iemand die dat heel hard nodig heeft op dat moment en dan ga ik natuurlijk op pad, maar toch, zo’n papier staat me tegen. Omdat wij ons als predikanten dan ook voegen in het koor van mensen die roepen dat ze allemaal zo’n cruciaal beroep hebben en dat er voor hen een uitzondering gemaakt moet worden. Want dat is wat ik het afgelopen jaar gezien heb: beroepsgroepen die knokken voor zichzelf: ‘Wij zijn belangrijk, nee, wij zijn belangrijk’. Of sectoren die voortdurend lobbyen op de ministeries om de horeca niet te sluiten, om toch vooral geen restricties voor reizigers op Schiphol te hebben, om de winkels open te houden. Werkgevers die hun personeel verplichten om op de zaak te verschijnen. Mensen die roepen: maar mijn feestje is belangrijk.

Wat had ik het mooi gevonden als eind augustus – toen het al zonneklaar was dat er bij ongewijzigd beleid een tweede golf zou komen – Horeca Nederland had gezegd: ‘wij gaan nu vrijwillig dicht want dat is beter voor iedereen’. En dat Dick Benschop, de baas van Schiphol, dan gezegd had: ‘wat een goed idee’ dan sluiten wij Schiphol voor bijna alles. Dan had je een verkiezing gehad voor de baas van het jaar, die zijn personeel zo veel mogelijk en zo slim mogelijk thuis had laten werken. Dan was er een wedloop geweest wie zich het meest zou wegcijferen voor het algemene belang. Idealistisch gedacht, naïef? Nou, dat was zeker ook eigenbelang geweest. We hebben nu een jaar van de wedloop van het eigen belang, en van de eigen uitzondering achter de rug. Juist dat heeft ons gebracht in deze situatie: waarbij de horeca ook plat ligt, Schiphol leeg wordt en u een hond moet aanschaffen om ’s avonds over straat te kunnen. Bij die omgekeerde wedloop, een wedloop waarbij jij zelf verantwoordelijkheid had genomen en de ander voor had laten gaan, hadden we er veel beter voor gestaan.

Het verhaal over Samuel begint als alles donker is. Het is nacht, er brandt alleen het hele kleine lichtje van de Godslamp, maar ook dat zal spoedig doven. Het staat symbool voor de donkere tijd die er is. Van God is weinig te zien. De mensen merken niets van hem. Ze zien niets van hem, ze krijgen geen visioenen, ze hebben hem niet voor ogen. Donker is het helemaal voor de priester, voor Eli. Hij is blind. Juist de man van God zou moeten zien in een duistere tijd, maar nog meer dan anderen ziet hij niets. Hij is blind. Geen licht dringt er meer tot hem door.

Dat veel mensen niet geloven in God is niet het grootste probleem van onze tijd. Maar dat mensen zo hard geloven in hun eigen belangrijkheid, in de uitzonderlijkheid van hun sector en dat het goed is voor jezelf te knokken en dat het een goede natuurwet is dat de sterkste wint. Dat is de echte Godsverduistering, dat zijn de vreemde goden, die hun nieuwe aanbidders handenwrijvend verwelkomen.

En toch – en dat is zo geweldig en zo troostend aan het verhaal over Samuel -  ook in een donkere tijd roept God. Ook in een tijd dat er heel veel donker is en dat je misschien denkt: waar is God, roept God nog wel? God roept en hij roept ons op om kwetsbaren te beschermen, om het algemeen belang voorop te laten gaan. Hij roept mensen tot de dingen waar hij altijd al mee bezig was. Hij roept mensen tot vrede, tot gerechtigheid en vooral ook tot liefde. Hij roept mensen op om vol te worden van hem en van zijn liefde.

‘Blijf in mijn liefde’ is het thema van de huidige Gebedsweek voor de Eenheid waarin christenen over de hele wereld samen bidden. Ik heb deze week via een Zoom-sessie twee keer een uur gebeden met mensen uit de Witte Kerk en Crosspoint uit Nieuw Vennep en uit de Meerkerk, de Marktpleinkerk en de Graankorrel hier in Hoofddorp. Het zijn pogingen om – met alle verschillen die er zijn – ons samen te richten op de God die ons roept. Om Gods liefde te zoeken en daar in te blijven. Omhuld te worden door zijn liefde. En in Gods liefde blijven is dan: leven vanuit Gods liefde, geboren worden vanuit Gods liefde, handelen vanuit Gods liefde. Niet meer: ja, ik ben belangrijk, voor mij een uitzondering, maar: laat een ander maar voorgaan. Niet meer mijn sector mag wel, maar: laten wij nu dicht gaan en gaat u voor. En zelfs niet: ik moet op de IC, want ik ben belangrijk of ik ben productief of ik moet nog kunnen genieten van het leven: maar: gaat u voor. Dat is leven vanuit onze roeping, dat is leven vanuit de uitzonderlijke liefde van Christus. Amen.

24 januari 2021 Oecumenische dienst Hoofddorp 

C.wessel Volzin

De wijzen uit het Oosten

Op een dag lopen er mannen de poort van Jeruzalem binnen. Zij hebben andere kleren aan dan de mensen in Jeruzalem. Ze zijn niet van hier, dat ziet iedereen. Ze komen uit het Oosten. “Het zijn wijzen” wordt er gefluisterd. En dat zijn ze inderdaad. Magiërs, wijzen. Mannen van wijsheid en wetenschap. De wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid van de koningen van het oosten. Mannen die willen weten hoe de wereld in elkaar zit en waar het naar toe gaat met de wereld. Het puikje van de kennisdragers van de volken van buiten Israël. 

“Waar is de koning der Joden, die geboren is, vragen zij. Want wij hebben zijn ster gezien”. Ze hebben een teken van de hemel gezien. Een teken van God. Een ster, met een goddelijke betekenis: er is een nieuwe koning der joden geboren, die voorzien is van een teken van de hemel. Een gebeurtenis van belang voor alle volken van de wereld, een gebeurtenis van kosmisch belang. En de wijzen stellen het niet alleen vast, maar ze gaan ook op weg. Want dit teken kun je niet negeren. Je moet er iets mee doen en zij willen deze koning hulde bewijzen. 

Het is verbazingwekkend hoe open en lovend er door het evangelie gesproken wordt over de wijsheid van de volken. Er zijn tendensen in het christelijke geloof om alles wat niet precies christelijk is af te wijzen. Om weinig te verwachten van de kennis van wetenschappers, of van de kennis en religieuze overtuigingen van mensen met een andere godsdienst. Maar het evangelie laat zien, dat de volken van de aarde op grond van hun eigen kennis en waarden tot het inzicht kunnen komen dat de geboorte van Jezus iets heel bijzonders is, dat zijn komst een teken van God is. Op grond van wat er al is bij hen aan wijsheid en aan gaven. Het laat ook iets zien van de toegankelijkheid van het evangelie voor alle volken van de wereld.

Wat Mattheus hier vertelt is ook gebeurd. Heel veel mensen met andere geloven hebben gezien dat de geboorte van Jezus belangrijk is. En dan bedoel ik niet alleen dat het Christendom zich verspreidt heeft over veel volken, maar dat ook veel niet-christenen een hoge plaats aan Jezus toekennen en hem zien als iemand van God. Moslims noemen Jezus een profeet. Hij is in de Koran een belangrijk figuur. En een aantal verhalen uit het Nieuwe Testament staan ook in de Koran. Ook het hindoeïsme heeft zich met Jezus beziggehouden en hij is daar tot één van hun duizenden goden gemaakt. Het is allemaal een bewijs van de waarheid van wat de ster in het evangelie verkondigt: dat de volkeren van de aarde vanuit hun eigen wijsheid kunnen zien wat het belang is van Jezus.

Alleen als de wijzen gaan reizen komen ze wel uit bij het verkeerde adres. Want ze hebben dan het goddelijke teken gezien, maar de precieze duiding, daar zitten ze behoorlijk naast. Want ze komen uit in Jeruzalem, bij koning Herodes, en niet in Bethlehem. Vanuit hun eigen wetenschap, vanuit hun eigen wijsheid kunnen ze het goddelijke teken zien, maar dat je voor de nieuwe koning van Israël niet in de koningsstad Jeruzalem moet zijn, maar in de herdersstad Bethlehem, dat is iets dat ook de knapste koppen uit de volken niet uit zichzelf kunnen begrijpen. Dat die nieuwe koning een herderachtige gestalte zal zijn, een leidsman die zijn volk zal weiden, en niet een Herodes-achtige figuur in een machtige koningsburcht dat kunnen zij niet weten. Zij verwachten een god-achtige gestalte, op zijn minst een koning. Maar ze krijgen een knechtsgestalte. Een herder, barmhartig voor al de kleinen, rechtvaardig voor zijn kudde. Een lam te midden van schapen.

In dit misverstand heb je al voorspiegeld hoe later een heel aantal volken van de wereld naar Jezus zullen kijken. Een prima man, rechtvaardig, barmhartig, een groot revolutionair, een profeet. Maar dat deze man werkelijk een nederige en lijdende gestalte heeft gehad. Nee, dat maken velen niet mee. In de Islam wordt dan ook ontkend dat Jezus gekruisigd is. Want zo’n vernederende straf, zo’n straf van een misdadiger, dat kan niet met zo’n belangrijk man van God. Daarom wordt in de Islam verteld dat Jezus niet aan het kruis gestorven is. Sommigen zeggen dat hij vlak voor de kruisiging door God is weggenomen, en dat iemand anders in zijn plaats aan het kruis gespijkerd is en gestorven is.

Wie Jezus is, dat leer je alleen uit de Schriften van Israël. Daar moet je het in lezen En dat is wat de overpriesters en schriftgeleerden van Israël doen. Zij lezen de bijbel en alleen uit de bijbel, uit de geschiedenis van Israël met God blijkt wat voor soort koning dat zou moeten zijn, wat zijn afkomst is, waar hij vandaan komt: een herdersgestalte uit Bethlehem. Dat zegt iets over de kracht van de Schriften. Zonder de Schriften van Israël kom je niet te weten hoe de tekenen van God precies onder ons werken. Natuurlijk je kunt je er een voorstelling van maken: iets groots, met God en een kind. Maar alleen de Schriften van Israël wijzen ons op de plek waar je deze gestalte verwachten kunt: de herdersstad Bethlehem.

De wijzen kwamen aan het verkeerde adres. Maar de overpriesters en de schriftgeleerden doen iets dat nog verbazingwekkender is. Zij doen namelijk helemaal niets. De afstand van Jeruzalem naar Bethlehem is nog geen dag lopen. Maar zij verroeren geen vin. Niet geïnteresseerd in het teken van God in Bethlehem, waarschijnlijk zelfs doodsbenauwd voor hun eigen positie. 

  Zij lijken wel wat op vele kerken, die zeer goed thuis zijn in de eigen bijbel. Maar de tekenen van God in onze tijd niet zien. De grote tekenen in de wereld. Kerken die alleen maar bezig zijn met hun eigen overleven en geen woord voor de wereld meer hebben. Niet willen zien dat er dingen echt fout gaan – of juist heel goed. En zelfs het kleine dichtbij missen: de ervaringen die mensen met God hebben. Het wonder dat ze meemaken in hun leven. Want dat is maar raar en gek en niet keurig netjes.

Maar de wijzen gaan wel op weg. En dan gebeurt het dat de ster die de wijzen in het oosten gezien hebben opnieuw verschijnt. Als het actuele teken aan de hemel gecombineerd is met de kennis van de Schriften, verschijnt de ster opnieuw. Nu niet alleen als een teken aan de hemel van God dat er iets gebeurd is, maar nu als een gids, als een vuurkolom in de nacht. De alertheid om te letten op de tekenen van God in het heden gecombineerd met de kennis en wijsheid van de Schriften zorgt voor een vurig baken dat regelrecht naar het kind in Bethlehem leidt.

Voor het nieuwe jaar is dat denk ik onze opdracht: kijken naar de tekenen van God en ons geleid weten door de Schriften. Kijken wat er allemaal aan goeds gebeurd om ons heen: bij de voedselbank, bij burenhulp, bij de zorg voor zoveel mensen in het ziekenhuis. Maar ook bij de moskee, bij de buurtvereniging of op de universiteit. Als kerken kunnen we dat toejuichen en daarbij aansluiten. Laten we ook niet onderschatten wat mensen – wetenschappers, hindoes, moslims - zien van de wijsheid van God. 

En daarnaast zijn de wijzen gewoon goede voorbeelden voor ons beginnen in het nieuwe jaar: ga gewoon beginnen als je denkt iets te zien van God, ga gewoon op weg – misschien kom je niet helemaal goed uit in het begin, maar je zit alvast wel in de richting. Het komt later wel goed, als je je wil laten corrigeren, als je wil blijven luisteren door de Schriften. 

3 januari 2021 Mattheus 2:1-12

C.wessel Volzin

Psalm 90. Oudjaar 2020

De tijd kan je precies meten. Je kan precies meten hoe lang een seconde duurt. Een en twintig. Hoe lang een minuut, een uur, een jaar, honderd jaar. Maar behalve de meetbare tijd is er de tijd die je ervaart. En eigenlijk is dat de tijd waar we mee leven en die er toe doet. Soms lijkt de tijd voorbij te vliegen. Mensen die met pensioen zijn gegaan verzuchten vaak: wat is het snel gegaan: jeugd, werk, de kinderen klein, de kinderen groot. Het lijkt in een zucht voorbij te zijn gegaan. En er zijn dagen dat de tijd gevuld is. Een feestdag, een bruiloft waar je ieder moment van kan terughalen. In gemeten kloktijd net zo lang als iedere andere dag, maar elk uur, misschien wel elke minuut gevuld en memorabel. Het zijn dagen waarin je veel beleeft en waarin veel gebeurt.

Zo mooi dat die dagen een doel op zich geworden zijn. We zetten alles op alles om onze dagen zoveel mogelijk te vullen met waardevolle ervaringen. En daarvoor moet alles steeds sneller: reistijd moet steeds korter, zaken moeten sneller geproduceerd worden, ‘just in time’, steeds snellere computer chips. E-mails, die binnen een seconde naar het andere eind van de wereld flitsen in plaats van brieven. Goedkope vluchten zodat iedereen ook eens naar de Bahama’s kan. Heel ons leven is versneld, zodat we zoveel mogelijk in ons leven kunnen doen, kunnen ervaren, kunnen hebben. Tijd is schaars roepen we, tijd is geld. Ja, zelfs het concept van revolutie, Franse Revolutie, Russische Revolutie, gaat eigenlijk over onze omgang met de tijd: laten we in een keer de hele samenleving op zijn kop gooien, zodat we meteen, in een klap in een mooie nieuwe wereld belanden. Geen langzame ontwikkeling, maar nu! het einddoel.

Dit jaar met Corona lijken we de tijd op een andere manier te willen versnellen. Je zou willen dat het allemaal zo snel mogelijk voorbij is. Niet zoveel mogelijk gebeurtenissen in een korte dag proppen, maar doorspoelen. Dat het in een flits maart of april is, wanneer heel veel mensen zijn ingeënt en de epidemie  toch wat zal luwen. Dit zijn dagen van verveling – je kan niet zo veel – dagen van angst misschien ook wel – en je denkt laat het toch vooral voorbij zijn. Een beetje zoals je was als kind toen je zo snel mogelijk groot wilde worden. Daarom ook de boosheid dat Nederland zo achterloopt met vaccineren. Natuurlijk ook omdat die traagheid ziekte laat ontstaan en banen en mensenlevens kost, maar misschien is die boosheid ook wel: dan duurt het allemaal nog weer langer. Lege weken, verveelde weken en dat zijn in onze ogen: zinloze weken, want niet spannend, niet gevuld.

Vanuit hoe God de tijd ervaart stellen al die boordevol gestapelde levens niet zo heel veel voor. Vanuit zijn besef van tijd zijn onze levenstijd maar een ogenblik. Het is een tijd die zo voorbij is. Duizend jaar, niet meer dan dat uurtje dat je wakker ligt in de nacht. Half bij bewustzijn en daarna weer verder slapend. En in die tijd is een mensenkind, een kind van Adam, uit het stof gekomen en tot stof vergaan. Zo groot is de afstand tussen hoe God de tijd ervaart en ons leven.

Wij weten dat dat leven van ons – gevuld of niet gevuld – kort is. En dat ons leven lang niet altijd makkelijk is, wat we er ook aan proberen te vertimmeren. Mensen zijn ziek, hebben een pijn in hun hart die maar blijft opspelen en niet overgaat. Dat alles roept een gevoel op van zinloosheid. Wat is het leven waard, als het zo kort is en zo vol moeite. Meestal druk je die gedachte weg. Maar op een oudejaarsdag als vandaag – en helemaal omdat je vanwege de lockdown zo weinig kan - komt dat gevoel toch weer in je op. Komt die aan. En wij zijn niet de enige. Onze hele samenleving ervaart - bewust, onbewust - dat gevoel van zinloosheid: zoveel mogelijk doen, zoveel mogelijk ervaren, zo hard mogelijk werken. Je bent bang zijn om iets opwindends te missen, Fear Of Missing Out. De tijd die we hebben maximaal vullen is onze strategie tegen dat gevoel van zinloosheid. Als je je niet verveelt, knaagt dat gevoel van zinloosheid niet aan je. Want stel dat je niet meer in staat zou zijn je leven maximaal te vullen, dan zo wordt er gezegd, heeft je leven geen ‘kwaliteit’ meer. Dan zijn je dagen niet maximaal gevuld met ervaringen en dus – zeg men – zinloos. Als we niet bloeien zijn we dor hout.

De kortheid van ons leven en de moeizaamheid er van, zijn op een of andere manier verknoopt met de schuld van een mens ten opzichte van God: dat we niet meer in het paradijs wonen en ons kunnen voeden met de vruchten van de boom des levens: de schuld van de mens. Dat we niet zo lang leven als Methusalem, de schuld van de mens. Dat ons leven hard werken is en pijnlijk baren: de schuld van de mens. Ons leven is op allerlei manieren ingeperkt: in lengte van dagen, in kwaliteit van leven. God perkt dat in. En zelfs in de kortheid van onze dagen is er de toorn van God. Er komt niet alleen goedheid van God, weliswaar vooral goedheid, maar er is ook – hoewel veel minder en niet doorslaggevend – toorn, woede, vergelding. God is weliswaar liefde, maar hij is niet alleen maar lief.

Ieder mens heeft te maken met de kortheid van het leven en de zinloosheid er van. Als je gelooft, dan ben je zo gelukkig dat er nog een probleem bij komt: je verhouding tot God. Je leven blijft ongeveer even kort en je vragen over de zin van je leven blijven. Maar op het moment dat je God leert kennen, op het moment dat je zoals de psalm zegt je je schuilplaats bij God zoekt, je je woonplaats bij God zoekt, op dat moment krijgt je beperkte leven nog een andere invulling. Dan gaat het er in de eerste plaats om dat je, in dat korte leven van jou, God recht in de ogen kan kijken. Dan staat niet de kortheid van je leven voorop, maar je tekort schieten in je leven. Dan gaat het over je schuld en de omgang met die schuld. Dan gaat het er om een wijs hart te krijgen, zoals de psalm zegt. En dan zijn de vragen van tijd en eeuwigheid niet opgelost, maar je wordt geconcentreerd op het  verkrijgen van een wijs hart en het tellen van je dagen.

12 Leer ons zo onze dagen te tellen                                                                                      dat wijsheid ons hart vervult/dat wij komen tot een hart vol wijsheid.

Ja, de eeuwigheid – die grootste van alle tijdseenheden, die elke maat kleineert en verpulvert – die bestaat, maar het gaat om die korte tijdeenheid om de dagen van je leven. Om daarin tot wijsheid te komen.

De psalm zegt dus niet: wees zo nuttig mogelijk in je leven of vul je leven boordevol ervaringen of koers op een pijnloos bestaan, de psalm zegt: word wijs in je leven. En vul daar de dagen van je leven mee. Zoek de wijsheid van God, zoek zijn mededogen en liefde en laat die bloeien in je leven. 

Bid tot God. Om ontferming. Om liefde van zijn kant. Om vreugde. Om een goed nieuwjaar. Om een einde aan de Corona-epidemie. Om liefde voor de mensen.

Zie wat er komt: geen einde aan de kortheid van je leven, geen einde aan de verveling, maar wel een ontsnapping aan de manische ervaringsmachine en een opening voor een vervulling van ons hart met vrolijkheid, wijsheid en liefde.

De korte tijd van je leven is belangrijk. Het komt aan op de dagen die je hebt. Het vraagt concentratie. Maar de concentratie om tot een wijs hart te komen geeft een ander soort druk, dan de vraag naar: ervaar ik wel genoeg, mis ik niet alles (FOMO). Wijs worden heeft te maken met wat langere halen, het is meer de 10km dan de sprint, het is meer gestaag groeien, dan even knallen. Je wordt niet verpletterd door de druk, maar het vraagt wel focus.

Aan het begin van de psalm ging het over God die de bergen baarde en de aarde voortbracht. Over Gods werk. Aan het einde van de psalm gaat het over ons werk. ‘Het werk van onze handen bevestig dat’. Dat is een gebed om een vruchtbarend leven voor ons. Want een wijs hart brengt goede vruchten voort. Vruchten die goed zijn in Gods ogen en even blijven. Nee, het is er niet voor de eeuwigheid, maar het kan misschien doorgegeven worden als iets goeds aan een volgende generatie. Het werk van onze handen bevestig dat. 

C.wessel Volzin

Geloof is mijn geluk.

’Ik wandel in gedachten’ (Liedboek 2013, nr. 480, Mitt hjerte alltid vanker) is het populairste kerstlied van Noorwegen. Het heeft daar de status die ’Ere zij God’ in een aantal Nederlandse kerken heeft: als dat lied niet is gezongen, is het geen Kerstfeest geweest. De Deense bisschop Hans Adolph Brorson (1694-1764) schreef het lied, dat in 1732 voor het eerst in druk verscheen. Deens is tot in de 19e eeuw de taal van bestuur en kerk in Noorwegen geweest. Zo kon het gebeuren dat een Deens lied populair werd in Noorwegen. Het lied staat in de traditie van het Lutherse piëtisme van de Skandinavische landen. De melodie is een Noorse variant van een melancholiek volksliedje uit het Zweedse Västergötland.

In het lied wordt een imaginaire reis naar de geboorteplaats van Jezus ondernomen. Het bijzondere moment van de Kerstnacht opent de mogelijkheid daartoe. De druk en de drukte van de wereld – in het origineel ook de spot van de wereld -  kan vergeten worden en de vreugde en kracht van het geloof kan gevonden worden. ’Geloof is mijn geluk’ dicht de vertaalster Ria Borkent hier kernachtig en speels. Maar die geboorteplaats is zo nederig en vreemd, dat het toch veel beter is dat Christus een plaats krijgt in het hart van de gelovige. De gedachte dat Jezus in het hart van een mens geboren moet worden heeft het Protestantse piëtisme overgenomen van middeleeuwse mystici als Eckhart en Tauler.

1. Ik wandel in gedachten
in Gods geboortehuis,
gezegend zijn de nachten
van kerst, hier ben ik thuis.
Mijn hart vergeet de wereld
van haast en regeldruk.
Hier vind ik Jezus’ kribbe,
geloof is mijn geluk.

2. Geen woorden zijn te vinden
dat ik begrijpen zal
hoe God als hemels kindje
moet slapen in een stal.
U Heer, mijn levensadem,
het hoogste woord van God,
vindt minachting op aarde,
moet slapen in een grot.

3. Een mus heeft nog zijn nestje,
zijn eigen heggentak,
een zwaluw die wil rusten
vindt veilig onderdak,
een leeuw kan zich verschansen -
moet ik mijn God dan zien
in stro van iemand anders,
een stal, zo anoniem?

4. Kom in mijn hart en woon er,
het is geen vreemde plek,
u zelf hebt mij veroverd,
blijf in mij toegedekt.
Ik ben met ziel en zinnen
geopend, wonderstil.
Kom, wikkel u, Heer Jezus,
in diepten van mijn ziel. (1)

Paradox

’Christus die niet welkom is in deze wereld’ is een belangrijke traditie in de viering van het Kerstfeest. De traditie heeft verschillende bijbelse bronnen: de woorden van Jezus  dat ’de Mensenzoon geen plaats heeft om zijn hoofd neer te leggen’ (Mattheus 8:20, Lukas 9:58), de woorden van Paulus uit de Filippenzenbrief dat Christus zijn gelijkheid aan God niet vasthield, maar zich vernederde (Filippenzen 2:6-8 ) en de beginwoorden van het Evangelie van Johannes dat ’het woord in de wereld’ kwam, maar dat ’de wereld hem niet gekend’ heeft (Johannes 1:10.11). Door vanuit deze gegevens het evangelie van Lukas te lezen is de bekende uitleg ontstaan dat Jozef en Maria niet in de herberg terecht konden, alleen maar in een stal. Als je Lukas’ geboorteverhaal (Lukas 2:1-20) zo leest ontstaat er een schrijnende paradox: hoe kan het zijn dat deze hemelse mens onder zulke nederige omstandigheden ter wereld komt? Het lied van Brorson is een uitgebreide meditatie over deze paradox. Zijn oorspronkelijke lied kent elf coupletten en zeven daarvan gaan over deze tegenstelling tussen de goddelijke mens en zijn nederige plaats.


In een heel aantal kerstliederen die deze paradox onder woorden brengen (o.a 2013 nr. 470, 474, 478, 488) vind je verwijzingen naar de teksten van Johannes en Paulus. Het originele van Brorson is dat hij ook verwijst naar ’de Mensenzoon die geen plaats heeft om zijn hoofd neer te leggen'. Ik ken dat eigenlijk alleen van Vondel (Liedboek 1973 nr. 153:4). In Brorsons oorspronkelijke achtste strofe schrijft hij: ’Hij die met goddelijke Almacht de gehele wereld zal oordelen, heeft niets waartoe hij zijn hoofd kan buigen.’ In de daaropvolgende strofe, die in zijn geheel in de Nederlandse vertaling is opgenomen, werkt hij dit uit door te verwijzen naar de dieren in het eerste deel van Jezus’ woorden: ’de vossen hebben holen en de vogels hebben nesten, maar de Mensenzoon...’. De vogels associeert hij met de mus en de zwaluw uit Psalm 84:4, waarschijnlijk omdat in de psalm er ook een tegenstelling is tussen de mus en de zwaluw die een huis hebben en de psalmist die daar nog zo naar smacht. Brorson verandert de vos in een leeuw, waarschijnlijk om naast de onogelijke vogeltjes ook de machtige koning der dieren in beeld te hebben. Hoog en laag in het dierenrijk hebben beide onderdak, maar de hoge, hemelse mens niet, lijkt hij te zeggen.

Oplossing

Ook in het kerstlied ’Komt verwondert u hier mensen’ wordt de tegenstelling tussen de rijkdom en kracht van Christus en zijn zwakke, arme menselijke gestalte gethematiseerd. Maar dat lied eindigt – in de lijn van Paulus (2 Korintiërs 8:9) – met het gebed dat juist de kleinheid en armoe van Christus de gelovige zal verrijken en genezen. Zijn vernedering komt ons ten goede: Sterk mij door uw tere handen/ maak mij door uw kleinheid groot/.../ maak mij blijde door uw lijden/ maak mij levend door uw dood (Liedboek 2013, 478:4).

In het lied van Brorson wordt de tegenstelling anders opgelost: Christus moet in het hart van de gelovige komen wonen (strofe 4). De gelovige zelf kan helpen om de vernedering en vervreemding van Christus ongedaan te maken, door hem in het eigen hart een woonplaats te bieden. Zo wordt het hart van de mens de woonplaats van Christus. In het lied wordt deze woonplaats van Christus niet vergeleken met de stal of de grot uit de geboortemythes en zelfs niet met de bijbelse voederbak. Het hart wordt vergeleken met de doeken waarin Maria haar pasgeboren kind wikkelde. Zo intiem en teder is de omgang tussen Christus en de ziel. Dit beeld verleidde Ria Borkent tot enkele van de mooiste regels uit het nieuwe liedboek:

Ik ben met ziel en zinnen
geopend, wonderstil.
Kom, wikkel u, Heer Jezus,
in diepten van mijn ziel.

Bruidsmystiek

In de tijd dat Brorson schreef keek men niet op een strofe meer of minder. Brorson schreef oorspronkelijk 11 strofes, waarin hij zijn thema breed uitspint. In de liedboeken van Noorwegen zijn drie strofes weggelaten en hebben andere strofes variaties op het origineel. Voor het Nederlandse liedboek is gekozen voor vier strofes, die vrijwel alle elementen van het lied bevatten.

Toch is er één element uit het oorspronkelijke lied minder duidelijk in de Nederlandse vertaling terecht gekomen is. In de oorsponkelijke versie van de slotstrofe wordt Christus bejubeld als de bruidegom in half-erotische woorden. In de Deense en Noorse liedboeken is dit er in de 19e eeuw uit gekuist. In de Nederlandse vertaling is deze strofe er helemaal uit gelaten, al wijzen regels als ’uzelf hebt mij veroverd’ en ’ik ben met ziel en zinnen geopend’ en het intieme ’wikkelen’ wel in deze richting. De oorspronkelijke versie van de laatste strofe luidt:

Ik strooi mijn groene palmen
op heel uw rustplaats neer.
Voor u slechts leef en sterf ik
mijn bruidegom, mijn Heer!
Kom, laat mijn ziel toch vinden
haar zoetste vreugdestond:
tot duizendmaal te kussen
uw lieve rozenmond.

Jeg vil med Palme-grene
Dit Hvile-Stæd bestrøe,
Min Brudgom, Dig allene,
Jeg leve vil og døe.
Kom! Lad min Siæl erlange
Sin rætte Qvæge-Stund;
At kysse tusind gange
Din søde Rosen-Mund.

Deze bruidsmystiek op het einde past goed bij de struktuur van het lied. Het lied begint met de gelovige die zich tot de geboorteplek van Christus wendt. Op het einde van het lied wordt Christus hartstochtelijk uitgenodigd om in de ziel van de gelovige te komen. Na deze tweevoudige toenadering ligt het voor de hand om Christus dan ook als de bruidegom te benoemen.

Er zijn misschien allerlei goede redenen om dit zo niet te zingen op kerstavond. Voor vele kerstnachtdienstbezoekers zal zo’n strofe vervreemdend werken. Anderen zullen bij het overmatig kussen van een baby aan priesterlijke misbruikschandalen denken. Maar ik raad u aan: zing deze laatste strofe lekker voor uzelf. Hij is zo prachtig!

Coen Wessel

(helemaal onder aan deze post een speciale uitvoering van dit lied)

Hymnologische toegift:

Hoe komt het dat dit lied uit het zuiden van Denemarken het populairste Kerstlied van Noorwegen werd?

Een eerste stap belangrijke stap voor de populariteit van Brorson was de publicatie van het liedboek dat Erik Pontoppidan in 1740 publiceerde. Het was een liedboek voor kerkelijk gebruik met een piëtistische inslag (Den nye Psalme-bog). In dit liedboek waren 65 liederen van Brorson opgenomen[i]. In Denemarken is dit liedboek niet zo invloedrijk geweest, maar in Noorwegen werd dit liedboek algemeen gebruikt. Noorwegen was in deze tijd feitelijk een provincie van Denemarken en het Deens was lange tijd de kerktaal en de geschreven taal in Noorwegen. Brorson werd in Noorwegen een bekend lieddichter[ii].

Drie factoren hebben bijgedragen aan de populariteit van ‘Mit hjerte altid vanker’ in Noorwegen: de opleving van het piëtisme als een ‘counterculture’ in de 19e eeuw, de Romantiek en de opkomst van het nationalisme in Noorwegen.


De sterke opleving van het piëtisme in Denemarken en Noorwegen was een reactie op de rationalistische theologie en liedcultuur die vanuit de Deense steden en universiteiten werd verspreid. De invloed van deze geest op de liedcultuur is voor het eerst te zien in het Deense gezangboek van Guldberg, waarin veel bekende gezangen van Brorson ontbreken. Het gebruik van dit gezangboek bleef voornamelijk beperkt tot Kopenhagen, maar het kondigde al aan wat een paar jaar later ging gebeuren. In 1798 verscheen het Evangelisk-kristelig Psalmebok, een gezangenboek met een sterk rationalistische en moralistische geest. Van Brorson werden slechts 3 liederen overgenomen, die ook nog eens sterk bewerkt waren[iii]. Tegen dit liedboek ontstond een sterke tegenbeweging die grote overeenkomsten vertoon met de Nederlandse Gezangenstrijd na het verschijnen van de Evangelische Gezangen (1806). Onder de predikanten en de maatschappelijke bovenlaag was er veel enthousiasme voor dit liedboek[iv]. Het liedboek werd met dwangmiddelen ingevoerd[v]. Maar met name in plattelandsgemeentes was er een breed verzet. Men vond het gezangenboek ketters. Een belangrijk bezwaar was dat de naam van de duivel ontbrak: ‘men heeft de naam van  de duivel uit het boek gedreven, zonder hem uit de wereld te kunnen uitdrijven’[vi]. In een zoektocht naar alternatieven werd teruggegrepen op het werk van Brorson. Zijn werk werd opnieuw uitgegeven in talrijke bundels en werd populair in de 19e eeuwse piëtistische opwekkingsbewegingen in Denemarken en Noorwegen. De lieddichter en hymnoloog Grundtvig herdichtte ‘Mit hjerte altid vanker’ in zijn lied ‘Forunderligt at sige’ (1837) en droeg zo bij aan de status van ‘Mit hjerte altid vanker’.

In Noorwegen was de invloed van het rationalisme altijd al minder groot dan in Denemarken. Maar een heuse revival van Brorson en vergelijkbare lieddichters zette in na het verschijnen van W.A. Wexels, Christelige Psalmer (1844) waarin veel werk van Brorson was opgenomen. Het lied ‘Mit hjerte’ werd opgenomen in Landstads Kirkesalmebog uit 1869 dat tot 1924 het belangrijkste liedboek in Noorwegen is geweest. Als melodie werd de melodie van Jeg vil mig Herren love van H.O.C. Zinck (1746-1832) aangegeven[vii].

Een tweede factor was de opkomst van de romantiek. Romantische academici herontdekten het werk van Brorson en waren onder de indruk van zijn fijngevoelige taalgebruik. Ze voelden zich verwant aan zijn speurtocht naar wat er omgaat in de ziel van een mens. Juist ook de mystieke elementen in zijn werk spraken hen aan.

Voor Noorwegen gold nog een derde factor: het opkomende nationalisme. In Noorwegen ontstond in de 19e eeuw een beweging voor onafhankelijkheid. Na 1814 was Noorwegen niet meer staatkundig verbonden met Denemarken, maar onderdeel geworden van een unie met Zweden. De Noorse nationale beweging was verbonden met de beweging om een eigen Noorse taal te ontwikkelen. Daarvoor keek men in twee richtingen. De ene richting baseerde zich op de uitspraak en de woordenschat van de hoogopgeleiden in de steden. Op basis van hun uitspraak en hun taal moest een eenheidstaal gevormd worden. Hieruit ontstond het huidige Bokmål, de schrijftaal die door het merendeel van de Noren gebruikt wordt. Anderen zochten aansluiting bij de taalvarianten die in de dalen van West-Noorwegen gesproken werd. Hieruit ontwikkelde zich het huidige Nynorsk. Juist in de dalen van West-Noorwegen was en is het piëtisme erg sterk. Zo ontstond er een zekere samenhang tussen sterk nationalisme, piëtisme en taalstrijd.

Na de Tweede Wereldoorlog verflauwde in West-Europa het nationalisme. Maar in de jonge natie Noorwegen – Noorwegen was in 1905 onafhankelijk van Zweden geworden- bleef het nationalisme sterk.

De laatste decennia is de populariteit van ‘Mit hjerte altid vanker’ toegenomen. Ik vermoed dat dit te maken heeft met de culturele beweging van de jaren zestig, die vooral ook een popularisering van de Romantiek was. ‘Mit hjerte altid vanker’ voldoet aan dit romantische verlangen: het gaat om het hart en door de hymnologische geschiedenis van dit lied, zweeft rond dit lied een sfeer van authenticiteit en eenvoudig, volks geloof. In de huwelijksdienst van Haakon, kroonprins van Noorwegen en Mette-Marit Tjessem Høiby op 25 augustus 2001 zong Mari Boine ‘Mit hjerte alltid vanker', in het Sami. Ze ging daarbij gekleed in Sami-klederdracht en op het einde van het lied ‘belt’ ze op fenomenale wijze[viii]. Het besef van nationale eigenheid dat rond dit lied in Noorwegen hangt is door haar overgenomen, maar dan als uitdrukking van enerzijds de eigenheid van het Sami-volk en tegelijkertijd de verbondenheid met Noorwegen. Zo symboliseerde haar optreden bij deze Noorse nationale gebeurtenis de vorm van multiculturaliteit die Noorse bestuurders en intellectuelen graag aan Noorwegen wilden geven in deze jaren: de nadruk op de ‘eigen cultuur’ die ook weer niet zo heel verschillend blijkt te zijn van de dominante. Op deze wijze vertegenwoordigde ze de gewenste nieuwe Noorse nationale identiteit. Zie ook hier.


Misschien vormde haar optreden ook de inspiratie voor Maxima en Willem-Alexander om Carel Kraayenhof te vragen" Adios Nonino" te spelen bij hun huwelijk op 2 februari 2002. Ze waren bij dit huwelijk aanwezig en zijn enkele keren in een glimp te zien.

C.wessel Volzin

Toespraak Freek Jansen JFvD-congres

Op het JFvD-congres van 8 juni 2019 was Freek Jansen een van de sprekers. Zijn toespraak geeft een uniek inkijkje in het heidens-Nietzscheaanse gedachtengoed dat binnen Forum voor Democratie leeft. Ik zet daarom Jansens volledige toespraak op mijn blog en ik geef er in een paar noten wat commentaar op. Eerder schreef Han van der Horst hier al een goed artikel over.

Lieve leden,

We zijn bezig om een hoge toren te bouwen. Een toren die tot in de hemel reikt[i]. Verdieping na verdieping hebben we samen gebouwd op de schouders van onze voorouders, op de schouders van reuzen. En alles wat wij deden, alles wie wij zijn, droeg bij aan die vooruitgang, van het wiel tot aan de stoommachine tot aan de Space Shuttle. Maar ergens halverwege de vorige eeuw zijn we gestopt, omdat we elkaar niet meer konden verstaan. Want de kracht is uit ons maatschappelijk lichaam gegaan. We zijn moreel verzwakt. Ons is altijd verteld dat we in vrijheid leven. Van Dresden tot Londen, van Amsterdam tot Rome. Maar alles wat ons sterk maakt breken we af. En sinds jullie de moederschoot hebben verlaten, zijn jullie als slaven opgevoed. Want hoe vrij zijn wij, als alles wat wij kunnen doen klein is. Hoe vrij is de mens als hij zichzelf niet kan ontplooien voorbij alles wat al bestaat, als wij stilstaan? Hoe vrij zijn we als alle facetten van onze beschaving onder vuur liggen. Als je niet meer mag zeggen wat je denkt. Als je niet meer mag vechten voor wat je dierbaar is. 

Iedere dag worden we doodgegooid met de meest absurdistische verhalen, een trend die komt overwaaien uit Amerika: de transgenders van 8 jaar oud en empathielessen op scholen, discussies over foute straatnamen, over genderneutraliteit. Het is de moraal van een zwakke bevolking. Een bevolking die schaapachtig toekijkt hoe de gevestigde machten hen in een hoek drijft.  Een moraal waardoor we alleen nog geven om alles wat zwak is en hulp behoeft, niet wat ons gezamenlijk verder brengt[ii]. Een moraal die ons opslokt in een uitzichtloze internationale woekereconomie en alle landen vangt in het gouden web van het mondiale schuld systeem. En wij zijn hier de dupe van, onze generatie.  Een gemiddeld huis in Nederland kost nu €300.000. Starters maken geen enkele kans op de markt.  We worden uitgebuit in bespottelijke stagecontracten. Pensioen, dat is iets van het verleden. Wij mogen de last dragen van de massale immigratie die ons land treft. De straatterreur, de zinloze en peperdure klimaatmaatregelen komen voor onze rekening. En overal om ons heen zien we de symptomen van een maatschappij in ontbinding: jeugdwerkloosheid, overspannenheid, depressies. En natuurlijk zijn er zij die het met ons oneens zijn: mensen die ons fascisten noemen, Nazi’s, heel erg fout. Het zijn de zelfvoldane moralisten die met hun Farizese schijnheiligheid prediken tegen alle vormen van moraliteit. Nihilisten die alles en iedereen zwart maken, dat opkomt voor onze beschaving: onze universiteiten, onze journalisten, de mensen die onze kunstsubsidies ontvangen en die onze gebouwen ontwerpen. Het zijn de stormtroepen van de gevestigde orde. 

Ze leren ons dat de Nederlander niet bestaat, dat onze geschiedenis slecht is, dat we een onaflosbare erfschuld dragen, waarvoor onze wereld tot een einde moet komen.  Ze proberen ons te duwen in isolatie die onze samenleving in de greep houdt. Maar zolang niemand met elkaar spreekt, zolang niemand elkaar echt in de ogen kijkt en het heeft over de dingen die echt belangrijk zijn, dan houden zij de macht. Via de angst voor sociale isolatie dwingen zij ons om apathisch in te stemmen met onze eigen afschaffing. Maar kijk om je heen vandaag zijn er honderden, jonge mensen, vrienden, vriendinnen, kameraden verenigd in een gezamenlijke strijd en missie . En daarom zijn dagen zoals deze zo belangrijk, om ons te herinneren aan het feit dat we niet alleen zijn, dat er honderdduizenden andere jongeren zijn, mensen zijn, miljoenen die het met ons eens zijn. Die ook klaar zijn. 

En daarom is de JFVD zo belangrijk, een vereniging waar mensen samen kunnen komen en vrij kunnen spreken. Zichzelf kunnen zijn, niet hoeven te passen in een politiek correct keurslijf. Terwijl nu aan de overkant een fotograaf van de Volkskrant foto’s probeert te maken van deze bijeenkomst, als een soort paparazzi, staan wij hier bij elkaar om het wel te hebben over de echte dingen waar het om gaat. 

Wij hebben ons losgemaakt uit de valse ethiek die zoveel van onze leeftijdgenoten knevelt. Wij weten dat hun ideeën absurd zijn. Natuurlijk zijn er velen die wel volgen, die wel gevoelig zijn voor de emotionele en morele chantage van cultureel-economische tirannie. Jullie kennen ze allemaal, waarschijnlijk hebben jullie heel veel vrienden die onze ideeën verwerpen, die er niets van willen weten. Maar vergeet niet, vergeet nooit, dat onder dat leger van lamgeslagen D66-apathen onze familie driftig wacht. Netflix en pornografie kunnen misschien hun wil bedekken, maar ze kunnen nooit begraven wat in hen zit, wat in ons allemaal zit. En het is onze taak om ze los te maken, het is de taak van onze generatie om echte bevrijding te brengen. Wij moeten een  antwoord bieden op clownworld[iii], dat geleidelijk alle facetten van ons leven binnen dringt.

Wij gaan een alternatief ontwerpen voor de neoliberale orde van het internationale schuldenkapitaal. Wij gaan onze beschaving redden van de dreigende ondergang. Want wat hard lijkt voor sommige, is noodzakelijk voor ons allemaal. En het gaat ons lukken. We mogen nooit toegeven aan de twijfel die ons allemaal van tijd tot tijd bekruipt.

Want om de volgende verdieping van de toren te bouwen hebben we doorzettingskracht nodig, discipline, overwinningsdrang, ja zelfs overheersingsdrang[iv]. Zelfs toen Wodan ontdekte dat door zijn eigen schuld aan de bouwers van de hemelpoort de wereld tot een einde zou komen, zelfs toen riep hij de Aesir bij elkaar. En zo staan wij hier ook verzameld. Voor dat laatste maar ook eerste gevecht[v].

Want dingen kunnen snel gaan. In 1987, als je mensen toen had gevraagd hoe lang de Berlijnse Muur nog zou staan, dan hadden ze het einde niet kunnen voorspellen. En 2 jaar later stortte dat ding in en de hele Sovjet-Unie, een van de grootste en machtigste wereldrijken ooit, kwam mee naar beneden. Twee jaar geleden begonnen wij met de JFvD. En 2 jaar later zijn we de grootste politieke jongerenvereniging van Nederland.

En 2 jaar geleden kwam FvD met twee zetels in de Tweede Kamer. En nu, weer twee jaar later is FvD de grootste partij van Nederland. En over twee jaar, over nog maar twee jaar zijn de volgende Tweede Kamerverkiezingen, onze volgende slag. Dus wij gaan door met bouwen Wij gaan door met het versterken van onze beweging We gaan nog meer events t organiseren, nog meer mensen er bij betrekken, opleiden trainen, betrekken bij onze missie, bij ons plan. Deze eeuw wordt onze eeuw: de eeuw van de wedergeboorte.

    

[i] Dit is een letterlijk citaat uit Genesis 11:4, het verhaal over de torenbouw van Babel. Het Bijbelverhaal is uiterst kritisch over de torenbouw. Freek Jansen draait het verhaal om. Hij ziet de torenbouw als een Nietzscheaans-titanisch werk waarin de mens zijn grootheid uitdrukt. En waar het ‘elkaar niet meer kunnen verstaan’ in het Bijbelverhaal als een goddelijke straf gezien wordt, die de torenbouw stil legt, ziet Jansen de jaren zestig als het falen dat de eenheid van onze cultuur ondermijnt.

[ii] Dit zijn duidelijk sociaal-darwinistische gedachten: niet het zwakke individu moet beschermd worden, maar dat wat de gehele samenleving verder brengt. Het is dan ook niet zo gek dat het Forum voor Democratie veel in de denkbeelden van viruswaanzin/waarheid-aanvoerder Willem Engel ziet. Over Corona en sociaal-darwinisme zie hier.

[iii] Met de term ‘Clownworld’ wordt geschetst dat de wereld gek geworden is. Dit artikel geeft wat achtergrond over het gebruik van de term bij extreem-rechts ook al weet ik niet of Freek Jansen al deze betekenissen hier mee neemt. Hier betekent het vooral: de wereld is gek en wij niet.

[iv] Hier opnieuw de sociaal-darwinistische gedachten: de nadruk op hardheid, overwinnen en overheersen. ‘Hardheid, overwinnen, overheersen’  is ook verkrachtings-metaforiek. Vgl. de ideeën over het versieren van vrouwen van Baudet en anderen in Forum voor Democratie.

[v] Als ik het goed begrepen heb, verwijst Jansen hier naar een scene uit de Ragnarok (Götterdämmerung) uit de Edda. Odin/Wodan breekt zijn eed door de reus die de godenburcht Asgard herbouwt te doden. Dat wordt een oorzaak van de ondergang van de wereld. Maar ook al gaat de wereld ten onder, toch verzamelt Odin/Wodan zijn familie (Aesir/Asen) om te vechten. Jansen ziet de JFvD als de Godenfamilie, de Aesir/Asen, die samen strijden, zelfs al lijkt de strijd hopeloos. Als de wereld ten onder is gegaan herrijst zij uit haar as. Bij wedergeboorte moet je dus niet denken aan een christelijke wedergeboorte (die plaats heeft in een mens door de Geest van God), maar veeleer aan dit Germaanse verhaal: er komt iets nieuws dat zal verrijzen nadat het oude in puin is geslagen/gevallen. Daarom is het ‘laatste gevecht’ ook het ‘eerste gevecht’: het gevecht voor een nieuwe wereld. Het is duidelijk dat de jongens en meisjes die daar verzameld stonden hier niets van begrepen. Jansen sprak deze zinnen ook half mompelend uit. Het was vooral een interne ideologische markering: deze kant gaan we op. 


C.wessel Volzin

‘Ik ben het geweest’ De schuldbelijdenis van de Protestantse Kerk

De schuldbelijdenis van de Protestantse Kerk tegenover de Joodse gemeenschap heeft veel reacties los gemaakt. Zowel vooraf als achteraf waren er felle reacties van mensen die zich verbonden voelen met het kerkelijke verzet. Door schuld te belijden zou het grote kerkelijke verzet gebagatelliseerd zijn. In dit artikel kijk ik – kort en volstrekt onvolledig - naar enkele optredens van de leidingen van de Protestantse kerken in het begin van de oorlog en ik vraag me af hoe dit te wegen is en of dit te wegen is. Tenslotte vraag ik me af of je schuld kan belijden voor wat een vorige generatie deed of naliet.

Wie het handelen van de leidingen van de Protestantse kerken in de oorlog bekijkt ziet een afwisseling van grote persoonlijke moed, helderheid, terugschrikken, naïviteit en zeker in de eerste jaren een gebrek aan daadwerkelijke leiding geven. Al het allereerste verzetsoptreden van de kerken laat dat zien.

Op 30 september 1940 publiceert de bezettingsmacht een verordening waarin het verboden wordt om joodse ambtenaren te benoemen of te bevorderen. Door een zestal Protestantse kerken wordt op 24 oktober 1940 een rekwest naar Seyss-Inquart gestuurd, waarin protest wordt aangetekend. De kerken geven drie redenen waarom ze protesteren. Ze achten het besluit in strijd met de christelijke barmhartigheid, de maatregel treft leden de christelijke kerken en het raakt de kerken zelf omdat ‘het hier betreft het volk, waaruit de Zaligmaker der wereld is geboren en dat het voorwerp is van de voorbede der Christenheid, opdat het zijn Heer en Koning leere erkennen’. 

Hoewel dat laatste zinsdeel mij niet helemaal lekker zit – Joden moeten vooral bekeerd worden – zijn het toch duidelijke en moedige woorden. Maar er zijn wel degelijk kanttekeningen bij te maken. De eerste is dat de kanselboodschap die op zondag 27 oktober in de kerken moest worden voorgelezen, al weer een stuk zwakker was. De nadrukkelijke vermelding dat Jezus een Jood is ontbreekt. De kanselboodschap wordt ook niet in de Gereformeerde Kerken voorgelezen, door obstructie van de voorzitter van de Gereformeerde Synode. De beide Lutherse kerken ondertekenen deze oproep zelfs in het geheel niet. Toen in daar in de Evangelisch-Lutherse kerk protest tegen rees verklaarde het bestuur dat ze weinig succes verwachtte van zo’n protest en dat ‘de maatregelen in kwestie slechts gericht waren tegen joodse ambtenaren’.

Jan Koopmans

Maar wat nog het meeste steekt is dat er niet opgeroepen wordt tot een handeling. Juist in deze dagen wordt aan ambtenaren en later ook aan andere werknemers gevraag om de zgn. Ariërverklaring te ondertekenen. Die wordt niet genoemd in dit stuk, noch is er een oproep om deze verklaring niet te ondertekenen. Dat is niet alleen een oordeel achteraf. De studiesecretaris van de NCSV, Jan Koopmans (1905-1945), op dat moment al betrokken bij de predikantenverzetsbeweging de Luntersche Kring, schrijft in zijn brochure ‘Bijna te laat’ van november 1940, dat hij wenste dat de kerken ‘niet zoo ontzettend correct waren gebleven, dat wil zeggen correct naar wereldsche maatstaven’. De kerken hebben een rekwest aan Seyss-Inquart gestuurd, maar wat heeft een individueel kerklid daar aan? Moet hij nu tekenen of niet? ‘Het gaat om de practijk! Help mij, Kerk van Nederland!’ 

Patroon

Het is het patroon in de eerste jaren van de oorlog: moedige acties van de kerkleiding, maar de praktische follow up is zwak. Het bezoek van de kerken aan Seyss-Inquart op 17 februari 1942 is uiterst moedig. De kerken vragen aan Seyss-Inquart om ‘paal en perk’ te stellen aan de deportatie van de Joden naar Polen, omdat zij bericht hebben ontvangen ‘omtrent ontstellend hoge sterftegevallen’. Maar na afloop is er weinig communicatie naar de kerkleden. Pas twee maanden later worden de kerkenraden daarvan op de hoogte gebracht. 

Men kan wijzen op het voortreffelijke Hervormde herderlijke schrijven van oktober 1943 waarin krachtig stelling genomen wordt tegen het nationaal-socialisme, tegen een bloed en bodem-leer en tegen antisemitisme. Met, na drie-en-een-half jaar oorlog, toch ook een praktische maatregel: aanhangers van het nationaal-socialisme dienen van het Avondmaal geweerd te worden. Maar daar staat een eerste Hervormd herderlijk schrijven uit september 1941 tegenover waarin uitgebreid gewezen wordt op de vijandschap van het Joodse volk tegenover Christus. Citaat: ‘Een Jood is een mens uit Israël die Jezus Christus verwerpt. Daarin zijn zij ons een teken van de menselijke vijandschap tegen het Evangelie’. Dat is niet het ‘Wort der Stunde’ dat in september 1941 over Joden gezegd moet worden.  Geen woord over de vervolgingen die op dat moment plaats hebben. En geen oproep tot handelen. 

Kleijs Kroon 

Moed, aarzeling en soms ronduit koude botheid wisselen elkaar af. Een redelijke weging van de houding van de kerkleiding is moeilijk te geven. Dat roept de vraag op: moeten wij wel wegen? In een artikel dat Kleijs Kroon (1904-1983) in het nummer van In de Waagschaal van 12 januari 1946 schrijft over ‘De houding van de kerk in en na de oorlog’ verwerpt hij dat. Hij schrijft daar: ‘wij mogen niet doen, alsof het spreken der kerk het zwijgen der Kerk, of het goede spreken der Kerk het slechte spreken der Kerk zou opheffen. Wij mogen niet doen alsof, wanneer verschillende dingen boven verwachting goed zijn afgelopen, daarmee onze verkeerde handelingen zouden zijn goed geworden. Alsof de schuld der Kerk door haar gehoorzaamheid en de lafheid der Kerk door haar dapperheid zou zijn weggenomen.’

Met Kleijs Kroon zou je kunnen zeggen: het gaat er niet om, om nu een afgewogen oordeel over de houding van kerk, kerkleden en kerkbestuur te vellen. Veel belangrijker is het om vast te stellen dat er een schuld is: te laat, te weinig, te weinig concreet, niet moedig genoeg. En die schuld kan niet worden weggestreept door te wijzen op het vele goede dat kerkleidingen, predikanten en kerkleden – tot het offer van hun leven aan toe – hebben gedaan. 

Martin Niemöller

Martin Niemöller (1892-1984) zat in de jaren vlak na de oorlog op dezelfde lijn. Niemöller, kwam uit het Duits-nationale kamp maar had zich steeds feller tegen Hitler gekeerd. In de jaren na de oorlog preekte hij in gewone dorpen in Duitsland. Hij sprak daar nooit over zijn ervaringen in het concentratiekamp (1938-1945), maar wel over zijn eigen schuld. ‘Wat heb ik eigenlijk gedaan toen in 1935 de eerste maatregelen tegen de Joden kwamen, of al eerder tegen de communisten?’. En hij kon zeggen dat hij niet het goede had gedaan. Hij maakte op deze manier ruimte voor zijn hoorders om na te denken over hun schuld. ‘Ik ben het geweest’ zei hij. ‘En als Jezus mij straks vraagt: waar was je, toen dit alles aan de minste van mijn mensen werd gedaan, dan zou ik volledig verstommen’. Ook bij hem is er geen weging van verzetsdaden alleen een concentratie op de eigen schuld. 

Schuld

Maar kunnen wij, die de Tweede Wereldoorlog niet als volwassenen hebben meegemaakt en dat zijn de meeste van ons – dan wel een schuldbelijdenis uitspreken? Wij staan daar toch anders in dan Niemöller en Kroon. Ik denk dat dat kan en nodig is. 

Als je geboren wordt, dan kom je niet blanco ter wereld. Je komt in een omgeving terecht die jou vormt en van alles mee geeft. Jouw leven staat niet aan het begin, maar staat in een lange keten van geslachten. En zelfs al ben je in, laten we zeggen, Iran geboren in een moslim-gezin, zodra je in Nederland lid wordt van de Protestantse Kerk heb je met de historische en sociale constellatie van die kerk te maken. Dat betekent dat je je ook moet verhouden tot de moeilijke en zondenrijke delen van je erfenis. Dat doe je door dat zondenrijke deel op je schouders te nemen en te dragen als je eigen last. Het is je eigen last. Het is belangrijk dat de kerk die last op zich genomen heeft en uitgesproken heeft: dat ‘het de kerkelijke instanties veelal aan moed ontbroken om voor de Joodse inwoners van ons land positie te kiezen’. 

Minstens zo belangrijk is het dat wij de zonden van het voorgeslacht niet blijven herhalen. De verklaring stelt dat ‘de kerk mede de voedingsbodem heeft bereid waarin het zaad van antisemitisme en haat kon groeien’. 

Dat is goed gesproken, maar hier heb ik toch ook wat zorgen. Het is ook wat algemeen gesproken. Er wordt hier niets aangewezen of benoemd. Wat heeft de kerk verkeerd gedaan in woord en daad? Wat moeten we niet herhalen en anders doen. De verklaring vraagt om een vervolg.

De schuldbelijdenis is min of meer spontaan opgekomen en niet heel uitvoerig van te voren in de kerk besproken is. Dat is wellicht te rechtvaardigen, maar het maakt me ook wat ongerust. Is het geen zaad op de kerkelijke rots, dat snel opschiet, maar niet wortelt? De verklaring schreeuwt om een vervolg, om conferenties, om blijvende aandacht voor antisemitisme en voor een blijvende bezinning op de eigen theologie. De Protestantse Kerk heeft een verantwoordelijke stap gezet. Die moet ze waarmaken!

Coen Wessel

Dit artikel verschijnt binnenkort in 'In de Waagschaal'

C.wessel Volzin

Kanselboodschap over de Coronacrisis

Ons land is hard getroffen door de Corona-crisis. 

In deze Corona-crisis komen de goede en slechte kanten van ons samenleven in Nederland scherp aan het licht. 

In de eerste maanden van de Coronacrisis heeft onze samenleving solidariteit, liefde en veerkracht laten zien. Verzorgenden, verpleegkundigen en artsen hebben zich enorm ingespannen. Overal in het land zijn vrijwilligersinitiatieven voor burenhulp van de grond gekomen. De steun die mensen gehad hebben van familie en vrienden was hartverwarmend. Ondernemers en leidinggevenden hebben overuren gemaakt om hun organisaties om te gooien en hebben ingespeeld op de nieuwe situatie. Werknemers hebben zichzelf opnieuw uitgevonden en zijn online gaan werken. 

De Coronacrisis laat ook de tekortkomingen van onze samenleving onbarmhartig zien. 

Al te zeer wordt onze geest en onze ziel beheerst door een denken waarin de economie centraal staat. 

Vrijheid wordt misverstaan als ‘ik bepaal zelf mijn leven’ in plaats van de vrijheid om naar eigen eer en geweten naar het goede te zoeken en dat te doen.

Lichamelijke gezondheid wordt gezien als ‘het gewone’ en ‘het normale’. Maar mensen zijn geschapen met een kwetsbaar lichaam. Gezondheid is een kostbare gave. De nadruk op jeugdigheid en lichamelijke fitheid leidt, samen met de nadruk op de economie, tot een giftig sociaal-darwinistisch denken, waarin het sterke leven geholpen wordt en het minder sterke leven veracht.

Wij vrezen dat een samenleving waarin sterk tegen zwak en jong tegen oud wordt uitgespeeld een samenleving van angst is, want ieder zal vrezen voor zijn eigen leven. Wij vrezen dat zo’n samenleving niet opgewassen zal zijn tegen alle andere ernstige uitdagingen die ook op onze weg staan, zoals de klimaatcrisis, de armoede in de wereld en het helpen van de vele vluchtelingen. Kiezen voor jong en sterk voert onze samenleving in een richting waarin korte termijn denken, egoïsme en hedonisme centraal zullen staan. Zo’n samenleving zal het nooit houden.

Wij geloven in de waarde van al het leven, ook van het kwetsbare leven. Ja, we geloven dat Jezus zelf dat kwetsbare leven is. ‘Een man die het lijden kende en met ziekte vertrouwd was’. Hij is het zich liever liet kruisigen dan zijn kracht te gebruiken. Hij was een genezer van zieken. En wie niet in het centrum van de samenleving stond kon rekenen op zijn liefde. 

Wij vertrouwen op Gods geest die mensen bezielt, leven geeft en mensen niet tegen elkaar uit speelt, maar bijeen brengt. 

Wij geloven dat God uit dood en duisternis iets nieuws en goeds kan scheppen. Wij vertrouwen dat hij ons zo ook door deze crisistijd zal leiden. ‘Hij maakt het kwade goed’.

Wij roepen de overheid op om de indamming van het Covid-19 virus tot expliciete beleidsdoelstelling te maken en daarbij tot een maximale inspanning te komen.

Wij roepen iedere Nederlander op om maximaal mee te werken om dit mogelijk te maken.

Wij roepen de kerken en alle gelovigen op om te bidden voor verzorgenden, artsen en verpleegkundigen. Wij roepen de kerken en alle gelovigen op om te bidden voor onze overheid en de zieken te troosten.

Wij roepen de overheid op om een dag van rouw te organiseren waar plaats is voor ieders verdriet het verlies van dierbaren of van de eigen gezondheid of die van naasten.

Coen Wessel

  


C.wessel Volzin

Video's over Bijbelverhalen en liederen

In deze Corona-tijd wil ik af en toe een heel kort filmpje laten zien waarin ik iets vertel over een bijbelverhaal of over een lied uit het liedboek. Vaak zal dat iets zijn waarvan ik denk: dat weet u nog niet over dit bijbelverhaal of dit lied, maar het is wel mooi en belangrijk. Ik ga daarbij niet een uitgebreide uitleg geven van het hele verhaal, maar ik focus op één mooi detail in het lied of het bijbelverhaal.

Mijn vraag aan u is: zou u mij ook zo’n bijbelverhaal of lied kunnen aanreiken? Dan ga ik kijken of ik daar iets moois van kan maken. Ik hoop ongeveer elke week een filmpje te kunnen posten.

De eerste video gaat over het bekende verhaal van David en Goliath (1 Samuël 17).



De tweede video gaat over lied 289 uit het Liedboek 2013 'Heer, het licht van uw liefde schittert', dat eerder bekend werd als 'Heer, uw licht en uw waarheid schijnen'. Het is een vertaling van 'Shine, Jesus, shine'. Ik vertel speciaal iets over het derde couplet.




De derde video gaat over een wat onbekender lied, lied 709 'Nooit lichter ving de lente aan'. Het is een lied dat Ad den Besten schreef voor Bevrijdingsdag.





Psalm 133 beschrijft het hoopvolle vooruitzicht dat mensen (broeders), elkaar niet vermijden, maar in vrede samen wonen. Dat is een grote zegen, die misschien alleen vergelijkbaar is met de zegen die neerdaalde toen Aäron tot hogepriester gezalfd werd. Dat ging er toen wellicht wat kliederig aan toe met al die olie, maar wat een heilig moment. Of een zegen vergelijkbaar met als het land vruchtbaar en levengevend gemaakt wordt, omdat er dauw neerdaalt.





Het lied 'Heer, ik kom tot U' beschrijft de nadering van een mens tot God. Het is een van de bekendste opwekkingsliederen. Minder bekend is dat de schrijver van het lied, Geoff Bullock (Sydney, 1955), het lied herschreef na een ingrijpende crisis in zijn leven. 'Het wonder is niet dat ik naar God toe kom, maar dat God naar ons is toegekomen'.




C.wessel Volzin

Chris Rutenfrans over euthanasie en over de Coronacrisis

‘Veel mensen vinden het vanzelfsprekend om bij het toekennen van een schaars intensive care-bed jongeren voorrang te geven boven ouderen. Dat is discriminatie op grond van leeftijd. Ieder mens heeft een eigen waarde, die los staat van leeftijd, geslacht of etniciteit. Dat is een grondwaarde van het Christendom, die de grondslag van onze beschaving geworden is.’ 

Chris Rutenfrans (1953) was redacteur van de opiniepagina van De Volkskrant. Met hem spreek ik over zijn betrokkenheid bij het protest van Andreas Burnier tegen de normalisering van euthanasie en over de huidige Corona-crisis waarin sociaal-darwinistische geluiden onverwacht luid klinken. 

In de jaren tachtig raakte je betrokken bij het protest van Andreas Burnier tegen de geruisvolle aanvaarding van euthanasie, ja zelfs het ‘euthanasiasme’ waarmee euthanasie werd omarmd. Hoe ben je bij haar tegenstem betrokken geraakt?

‘Andreas Burnier was onder haar echte naam, C.I. Dessaur, hoogleraar-directeur van het Criminologisch Instituut van de Radboud Universiteit in Nijmegen. In de jaren tachtig werkte ik daar als junior wetenschappelijk medewerker, in wat wij nu een PhD-aanstelling zouden noemen. Dessaur schreef in december 1985 een column in een vakblad tegen de aanvaarding van euthanasie, onder de kop ‘De zelfmoord op zieken en bejaarden’. Een week later stond het in alle kranten. Dat Dessaur/Burnier, een toonaangevend romancier en feministe, die als progressief werd beschouwd, zich keerde tegen euthanasie, was een regelrechte sensatie. Vanaf dat moment stroomden de brieven en adhesiebetuigingen binnen. Deze hebben wij destijds, aangevuld met artikelen van geestverwanten, gebundeld tot een pamflet: Mag de dokter doden?

Dessaur liet haar artikel voor publicatie lezen aan alle medewerkers van het Instituut. Ik was de enige die het volkomen met haar eens was. Voor mij was het belangrijkste dat de aanvaarding van euthanasie ernstig zieke mensen in een chantabele positie brengt. Waarom zou je je omgeving nog tot last willen zijn als het ook mogelijk is er middels euthanasie uit te stappen? Het individu komt, juist als hij of zij het kwetsbaarste is, onder ontoelaatbare druk te staan. Ik vond het onbegrijpelijk dat niet veel meer werd geïnvesteerd in pijnbestrijding en palliatieve zorg, waardoor de vraag naar euthanasie tot nul gereduceerd kan worden. 

Mijn wantrouwen werd nog versterkt toen bleek dat in de praktijk veel mensen ‘euthanasie’ kregen zonder dat zij daartoe een vrijwillig verzoek hadden gedaan. Vanuit de euthanasiebeweging kwamen daar bijzonder weinig protesten tegen.’ 

Heb je de indruk dat het geholpen heeft? 

‘Dessaur schreef haar column eind 1985. In 1984 had de Hoge Raad al in een arrest de zorgvuldigheidseisen geformuleerd waaraan een arts moest voldoen om bij euthanasie vervolging te voorkomen. Hiermee was euthanasie in feite al geaccepteerd. Zij was te laat. Toch denk ik dat het de wetgeving sterk vertraagd heeft. Er lag toen een wetsvoorstel van Wessel-Tuinstra (D66) dat het niet gehaald heeft. Pas in 2001, onder minister Els Borst (ook D66), is euthanasie gelegaliseerd.’ 

Wat vind je nog steeds belangrijk aan dat protest?

‘Dat je met een hartekreet, op het juiste moment gedaan, nog heel veel kunt bereiken. Wat de medische en juridische elites hadden bekokstoofd, namelijk een consensus over de aanvaardbaarheid van medisch doden onder voorwaarden, bleek voor veel ‘gewone mensen’ helemaal niet zo acceptabel te zijn. Er ontstond meer ruimte voor de bezwaren die aan euthanasie kleven.’ 

In de Coronacrisis zijn er discussies over wie je moet toelaten op de Intensive Care in het geval van een tekort aan bedden. Een aantal mensen hebben gesuggereerd om jonge en gezonde mensen voorrang te geven op oude en minder gezonde mensen. 

‘Veel mensen vinden het vanzelfsprekend om bij het toekennen van een schaars intensive care-bed jongeren voorrang te geven boven ouderen. Dat is discriminatie op grond van leeftijd. Ik ben daar tegen. Nederland heeft relatief zeer weinig ic-bedden. Dat is al kwalijk. Er hoeft maar iets te gebeuren, een virus in dit geval, of er moet geselecteerd worden wie een ic-bed krijgt en wie niet. Onverkwikkelijk. Maar als je dan toch moet kiezen, moet de kans op herstel de doorslag geven. Die kans is wel enigszins gerelateerd aan leeftijd, maar niet absoluut. Gezondheid, conditie, andere kwalen zijn belangrijker. Een 70-jarige kan een betere kans op herstel hebben dan een 35-jarige. 

Wanneer je alleen maar kijkt naar leeftijd, gebruik je een collectief kenmerk om te beoordelen of een specifieke persoon, een individu, een levensreddende behandeling krijgt. Dat is in strijd met een kernwaarde van de westerse beschaving, namelijk dat elk individu een intrinsieke waarde heeft, een waarde die niet afhankelijk is van collectieve kenmerken als etniciteit, sekse, seksuele voorkeur, en dus ook leeftijd. Deze kernwaarde is neergelegd in artikel 1 van de Nederlandse Grondwet, het gebod tot gelijke behandeling.

Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Stel dat Marokkanen als groep meer crimineel gedrag vertonen dan andere groepen. Dan mag je daar een individuele Marokkaan niet op aanspreken en niet naar behandelen. Je moet hem of haar persoonlijk beoordelen. 

En stel dat 70-jarigen als groep een slechtere kans op herstel hebben na een ic-behandeling dan jongeren. Dan mag je daar een individuele 70-jarige niet naar beoordelen. Je moet kijken of die kans op herstel bij hem of haar, op grond van een reeks andere factoren, óók slecht is. Zo niet, dan moet hij een gelijk recht op dat ic-bed.’

Bij het nadenken over hoe het verder moet zijn er ook mensen die voorrang willen geven aan het opstarten van de economie. Hun argumenten variëren van: ‘met een sterke economie blijft de gezondheidszorg betaalbaar’ en dus redden we zo uiteindelijk meer levens tot ‘waarom zouden we de economie stil leggen voor mensen die toch anders over twee jaar dood zouden gaan’. Hoe kijk jij aan tegen de verschillende argumenten in de discussie?

‘Volkskrant-redacteur Maarten Keulemans heeft berekend dat zo’n 50 duizend mensen jonger dan 70 jaar het slachtoffer zouden worden van het weer opstarten van de economie. Dat plan gaat dus niet door. 

Maar het idee dat het, in de formulering van de filosoof Damiaan Denys, een goeie zaak is dat het coronavirus ‘ons verlost van een zwakke bevolking die ziek is en zwaar op de maatschappij weegt' doet sterk denken aan het sociaal-darwinisme dat een van de pijlers was van het nationaalsocialisme. Volgens het sociaal-darwinisme wordt de maatschappij geschaad door het uit liefdadigheid in leven houden van zwakkeren en ouderen. Zo vond de sociaal-darwinist Ernst Haeckel (1834-1919) dat de moraal niet het individu moet beschermen maar het welzijn van de soort moet dienen. Burgers hebben voor de staat 'alleen de waarde van machineonderdelen'. De gezondheidszorg belemmert de natuurlijke selectie door het leven van psychisch gehandicapten en ongeneeslijk zieken te verlengen. Haeckel vond dat die snel en pijnloos uit hun lijden verlost moesten worden. Deze eliminatie zou de biologische kwaliteit van het Duitse volk vergroten. Dit soort ideeën zijn door Hitler meedogenloos uitgevoerd. 

Het stellen van de gemeenschap, de economie, de maatschappij boven het individu is in strijd met de kernwaarde van de westerse cultuur dat het individu een intrinsieke waarde heeft. In zijn boek Inventing the Individual laat de Amerikaans-Britse historicus Larry Siedentop zien hoe de gedachte dat alle mensen, ongeacht de collectiviteit waartoe zij behoren, gelijk zijn, geleidelijk veld won en uiteindelijk heeft gezegevierd. Die gedachte kwam voor het eerst op in het vroege christendom. Jezus sprak over God als over zijn 'vader' die van al zijn kinderen hield en juist ook van de meest marginalen onder hen. En de apostel Paulus zette die gedachte voort. In zijn Brief aan de Galaten staat: 'Er is geen jood of heiden meer, er is geen slaaf of vrije, er is geen man en vrouw, want u bent allen één in Christus Jezus.'

Dat betekent dat iedereen een autonome waarde heeft, een waarde die niet bepaald wordt door etniciteit (jood of heiden), maatschappelijke status (slaaf of vrije) of sekse (man of vrouw). Met dit idee is het individu geboren. Aangezien de autonomie van het individu voortkomt uit het christendom zou je verwachten dat de kerken deze waarde hoog in het vaandel hebben en steeds met nadruk protesteren als zij in gevaar komt. Een voorbeeld waar men zich aan zou kunnen spiegelen is kardinaal Graf von Galen van Münster die in 1941 met grote felheid protesteerde tegen de ‘vreselijke leer, die het vermoorden van onschuldigen wil verdedigen, die het gewelddadig doden van niet meer tot arbeid in staat zijnde invaliden, gebrekkigen, ongeneeslijk zieken, door ouderdom verzwakten principieel veroorlooft’. Maar van een dergelijke strijdbaarheid is van de zijde van de kerken weinig te merken. Te weinig, wat mij betreft.’

Coen Wessel


Dit interview verschijnt in In de Waagschaal, 3 mei 2020, jaargang 49, nr. 5 

C.wessel Volzin

Liturgische wereldmuziek bij Songs2Serve

Vijfentwintig jaar geleden werkte ik mee aan de liedbundel ‘Hoop van alle Volken’, een bundel met meer dan 100 liederen uit o.a. Afrika, Latijns-Amerika en Azië met vertalingen van o.a. Joke Ribbers, Elly Zuiderveld en Sytze de Vries. In de jaren daarvoor had ik deze ‘liturgische wereldmuziek’ ontdekt, omdat ik op zoek was naar muziek die lichaam en ziel wat meer bewoog dan de Nederlandse kerkmuziek. Het samenstellen van de bundel was leuk werk, er werden duizenden exemplaren van verkocht tot op de dag van vandaag, maar de bundel heeft het Nederlandse kerkmuziekleven niet veranderd.

Ik ga hier niet in op de oorzaken daarvan of op de tekortkomingen van ‘Hoop van alle Volken’. Grosso modo kan je zeggen dat wat ik er van hoopte, dat kerkmusici, predikanten en kerkleiding hierdoor geïnspireerd zouden raken om andere kerkmuziek te gaan maken weinig gebeurd is. In het midden van de kerk werd de bundel voor kennisgeving aangenomen en aan de rechterkant werd de bundel volkomen genegeerd. Ik had al een reggae-lied geselecteerd  dat de EO zo op Radio 3 kon pluggen, maar dat bleven zoete dagdromen. De EO deed helemaal niets met de bundel. In het Liedboek 2013 kwamen maar mondjesmaat liederen van buiten Europa, o.a. het wonderschone ‘Lirih terdengar lagu kasih’ (‘Luister naar de wind’ nr. 936).

Zaterdag 8 februari zat ik in Rotterdam bij een studiedag van de organisatie Songs2Serve. De organisatie bestaat sinds 2014 en is de liturgische en muzikale poot van de stichting Intercultural Church Plants Nederland, de koepel van een dikke twintig nieuw gestichte gemeentes die nadrukkelijk intercultureel willen zijn. De studiedag is er op gericht de muziekteams van de verschillende ICP-gemeentes op allerlei manieren toe te rusten.

De studiedag wordt gehouden in een school en als ik bij de opening in de aula om me heen kijk zie ik zo’n 100 mensen, van wie ongeveer 70% een duidelijke blank-Nederlandse achtergrond heeft. Veel Nederlanders zijn rond de dertig jaar. De dag begint met gebed en het zingen van een aantal liederen. Het eerste lied (Jesu Azali Awa) ken ik uit Hoop van alle Volken. Het wordt enthousiast meegezongen, eerst in het Kigali (Congo) en daarna in het Engels.


Het daaropvolgend lied is heel verrassend in het Hindi (Yeshu Tera Naam), ik ken het niet en de meeste mensen ook niet. De zangleider Rieneke Visser zingt het refrein voor in het Hindi en daarna zingen we het in het Hindi (o.a. India) en het Engels. Het laatste lied, Roohol Ghodos, wordt op een zelfde manier in het Farsi (Iran) en het Nederlands gezongen. De liederen worden begeleid door een uitstekende band.

Daarna zijn er een heel aantal workshops over het leiden van bands, over interculturele liturgie, over het spelen en zingen van liederen in het liederen in het Arabisch en het Farsi en zelfs twee workshops over geluidstechniek, eentje voor beginners en eentje voor gevorderden.

Ik heb voor een workshop van Ilse Roskam gekozen over Klezmer-liedjes en Braziliaanse liedjes. De Klezmerliedjes zijn eenvoudig mee te zingen (Hodu l’Adonai ki tov, o.a. Psalm 106, 118, 136 en Hineh lo yanum, Psalm 121). Het Braziliaanse lied (Eu vou louvar) is lastig vanwege de uitspraak van het Portugees en het ritme. Gelukkig is er een vrouw uit Syrie die perfect de ingewikkelde ritmes kan drummen. Hier is duidelijk hoe geweldig het is iemand met een achtergrond te hebben in een muzikale traditie die veel gebruik maakt van slagwerk en ritmes. Heel veel verder dan het refrein komen we niet. Ilse Roskam beweegt zich gemakkelijk in beide muzikale stijlen, speelt de ingewikkelde ritmes met gemak, durft groepsleden te verbeteren en spreekt – voor zover ik dat kan beoordelen – verbluffend Portugees.

In de middagpauze sluit ik me aan bij een groepje uit Ede. Er is bijzonder lekker eten, voor het grootste deel bonensalades met Turks brood. Het toetje is Sholeh Zard, een Iraans gerecht van rijst, amandelschaafsel, saffraan en zoetigheid. De Iraanse man met wie ik eet wordt helemaal enthousiast en raakt met een vrouw uit zijn kerk in gesprek over hoogwaardige medische technologie.

De daaropvolgende workshop is een Q and A-sessie met Rieneke Visser. Zij vertelt dat zij een dikke vijftien jaar geleden met deze muziek in aanraking is gekomen. Ze heeft zichzelf geschoold door zangles en de laatste jaren ook door cursussen bij Arts Release. Ze moedigt de workshopleden aan om zich goed te scholen. De afgelopen jaren was ze leider van Songs2Serve in Nederland. Daar is ze net mee gestopt om zich nu in te gaan zetten voor het Europese netwerk van Songs2Serve.

Ze laat ons deze video zien als voorbeeld van een goede manier om een niet-Westers lied te introduceren.

De video laat zien dat het leren van zo’n lied ook heel erg over relaties gaat. De zangleider, Nikki Lerner, stelt eerst de Ethiopische zangeres Emnet Tilahun uitgebreid voor. Zo neemt ze de gemeente mee in de ontmoeting. Zij interviewt haar kort, de zangleider complimenteert haar en haar taal: ‘Amharic is such a beautiful language’. Heel Amerikaans, maar het werkt! Zij is op haar gemak en de gemeente wordt voorbereid op iets heel moois. Daarna vertelt de Emnet Tilahun waar het lied over gaat. Ook dat neemt vervreemding weg. Ze krijgt de gelegenheid de woorden van het lied te zeggen en vervolgens zingt zij het lied. Op het einde mag de gemeente het gemakkelijke refrein meezingen.

Rieneke Visser legt uit dat het aanleren van een lied aan de hele gemeente ook een manier is om de mensen die de niet-Nederlandse taal spreken zich thuis te laten voelen. Eerbied voor de niet-Nederlandse taal is daarom van belang en die eerbied geef je bijvoorbeeld door een native speaker zelf het lied te laten voorzingen en de lastige woorden uit te laten spreken.

In de diensten werkt het heel goed om in een lied de vreemde taal af te wisselen met Nederlands (of Engels) zoals ook bij de opening van de studiedag gebeurde.

Na de workshop moet ik de studiedag verlaten wegens andere verplichtingen.

Ik ben onder de indruk geraakt van het muzikale niveau, maar ook van de didactische aanpak en de nadruk op relaties en gemeenschap bij Songs2serve. Toen ik 25 jaar geleden me verdiepte in deze muziek zag ik dat vooral als een instrument voor muzikale vernieuwing van de Nederlandse erediensten. Hier zie ik dat het daarnaast ook een instrument is om mensen bij elkaar te brengen en tot hun recht te laten komen.

Ook in het licht van de politieke bewegingen in ons land is het interessant dat in deze evangelicale groep met kerken in o.a. Ede, Alblasserwaard, Gouda, Kampen, Almere en Veenendaal multiculturaliteit en meertaligheid de norm is.

Coen Wessel