C.wessel Volzin

Conflict en vernieuwing in de orthodoxie

Eind 2018 kwam in Oekraïne een van het patriarchaat van Moskou onafhankelijke orthodoxe kerk van de grond. De nieuwe kerk is een fusie van een aantal orthodoxe kerken in Oekraïne. De oecumenische patriarch van Constantinopel, Bartholomeus I, tekende begin januari de zgn. tomos waarmee hij de nieuwgevormde Orthodoxe kerk van Oekraïne zelfbestuur verleende. Dit alles was zeer tot het misnoegen van het patriarchaat van Moskou, dat in oktober 2018 alle banden met Constantinopel verbrak en haar leden verbood om deel te nemen aan missen of huwelijken in een kerk van Constantinopel. 

De vorming van de nieuwe kerk is een rechtstreeks resultaat van het herlevende Oekraïense patriottisme. Na de Russische inval in Oost-Oekraïne en de Krim in 2014 kwam in grote delen van Oekraïne een groter besef van nationale eigenheid van de grond. Het zorgde er voor dat het land niet onder de Russische inval bezweek. Op de achtergrond speelt het Oekraïense trauma van de eeuwenlange Russische onderdrukking met als dieptepunt de door Stalin afgedwongen hongersnood (Holodomor) in 1932-1933. In dezelfde tijd werd door de communisten een onafhankelijke Oekraïense kerk – met meer democratische vormen en een liturgie in het Oekraïens - onderdrukt ten gunste van de Russisch Orthodoxe kerk. 

Het conflict tussen Moskou en Kiev heeft verlammende kanten. Overal in de orthodoxe wereld voelen kerken zich genoodzaakt positie te kiezen, met alle interne ruzies die dit weer oproept. De voortgang van het oecumenische gesprek wordt door het conflict voor vele jaren geblokkeerd. Elke mogelijke vooruitgang van het gesprek met Moskou, zal argwanend bekeken worden in Kiev en Constantinopel en omgekeerd. Voor emeritus-paus Benedictus XVI, die zoveel energie in zijn toenadering tot Moskou stak, zal het een harde klap zijn. In de Wereldraad van Kerken liep men al op eieren in de omgang met de orthodoxie; de samenwerking zal nu nog moeizamer gaan.

Zoals elke kerkfusie ging ook deze niet zonder keiharde interne strijd. Maar als de kerk in Oekraïne er in slaagt om de geboortepijnen te boven te komen, dan kan de nieuwe kerk ook een positieve uitwerking hebben. De liturgie in de volkstaal van de Orthodoxe Kerk van Oekraïne en een meer democratische vorm van kerk-zijn kan een stimulans zijn voor andere orthodoxe kerken. De Orthodoxe Kerk van Oekraïne is de tweede in omvang binnen de orthodoxe wereld. Als daar een vernieuwingsbeweging zich doorzet dan straalt dat uit naar de hele orthodoxe wereld, inclusief Rusland. 

Coen Wessel

C.wessel Volzin

De wonden van Vrij Links

In mei 2018 verscheen het manifest Vrij Links. Het manifest bepleit ‘een levensbeschouwelijk-neutrale staat, seculier onderwijs voor alle kinderen en een herwaardering van individuele vrijheid.’ Binnen de PvdA, D66, de SP en Groen Links vindt dit pleidooi voor een offensief seculiere overheid en tegen het bijzonder onderwijs gehoor. De Tweede Kamer wil snel over artikel 23 – het grondwetsartikel over de vrijheid van onderwijs – debatteren. 

Vrij links appelleert aan een breder gevoelde teleurstelling dat ons land zich maar niet ontwikkelt tot een progressief-liberale samenleving. Vrouwen werken niet fulltime, ouders willen hun kinderen niet laten inenten, er zijn weigerambtenaren, hoofdbedekkingen van vrouwen worden toegestaan etc. De godsdienst, met name de Islam, wordt daarvoor verantwoordelijk gesteld, maar minstens ook de Nederlandse liberalen en progressieven die veel te veel aan de Islam tegemoet komen. Vrij Links wil dat de overheid alsnog de gewenste progressief-liberale maatschappij vorm geeft.

Maar het is meer dan teleurstelling. Het is ook verwonding. Vrij Links is erfgenaam van de vrienden van Theo van Gogh die na zijn dood verbijsterd achter bleven en een hard offensief tegen de religie begonnen. Opvallend is ook dat een aantal Nederlandse intellectuelen met een migratieachtergrond meedoet met Vrij Links. Zij voeren het trauma met zich mee dat in landen als Turkije en Egypte Islamitisch geïnspireerde partijen verkiezingen wonnen en zich vervolgens steeds Islamitisch-dictatorialer ontpopten. 

Samen met Vrij Links tegen de Islam lijkt me een heilloze weg. Maar de bijna automatische neiging van de kerk om meteen voluit het huidige christelijke onderwijs te verdedigen is ook problematisch. Daarvoor staat de kerk te zwak en is het christelijke onderwijs ook niet vitaal genoeg. Een cultuurstrijd zal bij het eerstkomende ‘paarse’ kabinet tot een nederlaag leiden. 

Sterker lijkt me het argument dat onderwijs, opvoeding en levensbeschouwing niet in handen van de staat moeten zijn. Daar moeten ook sympathisanten van Vrij Links voor te winnen zijn. In landen als Turkije is het juist de staat die de Islam oplegt. Te veel opvoedingsmacht bij de staat leggen is spelen met vuur. Misschien dat vandaag de emancipatie van de vrouw en andere Verlichtingsidealen vrijelijk gedoceerd zullen worden, maar morgen...? Ideeën als van de Christen Unie om juist het openbaar onderwijs te democratiseren en te decentraliseren door de bestuursmacht in handen van ouders te leggen zijn heilzamer. Dat maakt een breed palet aan scholen mogelijk en vormt een goede buffer tegen staatsinterventie.

Coen Wessel

C.wessel Volzin

Nieuwe kerkvormen

In de Protestantse Kerk ontstaan nieuwe vormen van kerk-zijn. Er zijn pioniersplekken, kloosterachtige woonvormen en dorpsinitiatieven. Er is het verlangen dat kathedrale kerken nieuwe centra van spiritualiteit en cultuur worden. Al langer bestaan er diaconale centra en gemeentes met een scherpe identiteit. 

Er wordt wel gedacht dat deze nieuwe kerkvormen de kerk van de toekomst zijn. ‘Willen we overleven als kerk, dan moeten we onze kerkvormen radicaal transformeren’. De wijkgemeente zou gedateerd zijn, een overblijfsel van het middeleeuwse parochiale stelsel.

Het succes van deze andere kerkvormen wordt overschat. In Engeland bloeien de kathedrale kerken, maar zo’n kerk heeft al snel 50 mensen in dienst. Identiteitsgemeentes doen het een tijdje goed, maar slagen er vaak niet in om zich te vernieuwen. En hoeveel pioniersplekken bestaan nog over vijf jaar? 

De electoraal-geograaf Josse de Voogd stelt dat er in het overheidsbeleid en de pers vooral aandacht is voor uitersten: de grachtengordel aan de ene kant, probleemgebieden als Amsterdam Nieuw-West of Oost-Groningen aan de andere kant. Maar plaatsen als Nieuwegein, Etten-Leur of Woerden – het ‘Middenland’ - worden vergeten. Terwijl daar 60% van de bevolking woont. Is in de kerk niet iets vergelijkbaars aan de hand? Minstens 80% van de leden van de Protestantse kerk is lid van een min of meer gewone wijkgemeente. Daar zal de kerk voortgang moeten vinden. 

In deze voorkeur voor nieuwe kerkvormen en scherpe identiteiten speelt een beeld van de moderne mens mee: een mens die overal keuzes maakt en zijn leven á la carte inricht. Er is zeker een goed opgeleide groep die zo in het leven staat. Maar een groot deel van de bevolking kijkt niet verder dan een paar kilometer en vindt een vertrouwenwekkende plek waar je gastvrij ontvangen wordt allang best.

Er speelt ook een ideaalbeeld van een toekomstige gelovige mee. Die zou heel gelovig en betrokken (moeten) zijn. Het is een gedachte die al in de eerste studie over de kerkverlating (J.P. Kruijt, 1933) voorkomt: de kerk wordt kleiner, maar de gelovigen worden kwalitatief beter. Daar is tot op heden niets van gebleken. Ook in de toekomst zullen er gelovigen in soorten en maten zijn: enkele gedreven mensen met een vast Godsvertrouwen en veel mensen die lekker meehobbelen.

Dat de kerk, en dus de ‘gewone wijkgemeente’, in een langdurige crisis zit is helder. Nieuwe vormen zijn prachtig. Maar alleen maar inzetten op nieuwe vormen zal de crisis verergeren.

Coen Wessel

C.wessel Volzin

Bij het afscheid van Sybrand van Haersma Buma

De belangrijkste prestatie van Buma is dat hij het CDA na de desastreuze verkiezingsnederlaag van 2012 (13 zetels) inhoudelijk weer op de been heeft geholpen. Er lag een analyse aan ten grondslag dat niet zozeer het gaan regeren met de PVV de grootste fout van het CDA was geweest, maar dat het CDA geen eigen verhaal en geen eigen koers had. 

Het CDA had in de jaren negentig veel geroepen over het ‘maatschappelijke middenveld’, maar daar gaat de politiek nu net niet over en dat was ondertussen ook behoorlijk verdampt. Balkenende had succes gehad met het roepen over ‘normen en waarden’ maar had daar weinig invulling aan kunnen geven. Over de thema’s die de PVV aandroeg had het CDA niet nagedacht. 

In een artikel voor Christen Demokratische Verkenningen, in zijn boek ‘Tegen het cynisme’ en in zijn HJ Schoo-lezing ontvouwde Buma een visie voor de toekomst. Hij stelde voor om een cultuurbeleid te ontwikkelen dat gefundeerd is op de twee grote peilers van de Europese beschaving: ‘Athene’ (de klassieke oudheid) en ‘Jeruzalem’ (jodendom en christendom). 

Zo'n cultuurpolitiek zou gegrondvest moeten zijn op de gelijkwaardigheid van alle mensen, op vrijheid (in de zin van ‘het recht om te doen wat ik behoor te doen’). En tenslotte op de deugden. De klassieke deugden wijsheid, rechtvaardigheid, gematigdheid en moed, aangevuld met de christelijke deugden geloof, hoop en liefde. De overheid zou bij dit cultuurbeleid het voortouw moeten nemen en het niet moeten overlaten aan scholen, kerken, cultuurinstellingen enzovoorts. In het spoor van C.S. Lewis legde hij de nadruk op de emotionele verankering van deze waarden. Vandaar ook zijn pleidooi voor het aanleren van het Wilhelmus.

Een Nederland en Europa dat zich goed van zijn grondslagen bewust zou zijn, zou met veel meer zelfvertrouwen en meer gastvrijheid in de wereld staan. In zijn HJ Schoo lezing haalde Buma de Franse dichter Paul Valéry aan om te benadrukken dat 'Europa' niet op een geografische maar op een geestelijke landkaart ligt: 

'Overal waar de namen van Caesar, van Gaius, van Trajanus en van Vergilius, overal waar de namen van Mozes en Paulus, overal waar de namen van Aristoteles, van Plato en van Euclides zowel betekenis als gezag hebben, daar is Europa.'

Aan de ene kant heeft Buma succes gehad. Met name zijn HJ Schoo-lezing heeft veel bijval gehad in intellectuele kring. De kiezers hebben iets van zijn anliegen herkend en hebben het CDA voor de ondergang behoed. En hij heeft het zeven jaar volgehouden als leider van het CDA.

Maar zijn gedachten hebben nauwelijks voet aan de grond gekregen binnen het CDA. Op zijn compagnon Heerma en het Amsterdamse gemeenteraadslid Diederik Boomsma na, waren er weinig mensen die probeerden dit gedachtegoed verder te ontwikkelen. De meeste CDA’ers bleven steken in voorspelbare links-rechts schema’s: ‘we moeten wat meer naar links’. De voorgestelde cultuurpolitiek – hoe verstandig ook – heeft misschien ondertussen ook te weinig dragers om succesvol te zijn. 

Zijn gebrek aan succes lag ook aan Buma zelf. Buma stelde in zijn geschriften dat een zelfbewust Europa veel grotere groepen vluchtelingen zou kunnen integreren dan een Europa dat angstig naar zelfbewuste moslims kijkt en niets beter weet dan de deur dicht te gooien. Maar als het er op aan kwam wierf hij stemmen met een scherp asielbeleid en versmalden de grondslagen van Athene en Jeruzalem zich tot ‘gezonde vaderlandsliefde’. Misschien dat de patriciër in hem zich hier overschreeuwde, in een poging ‘het volk’ te bereiken. Zijn economische politiek verschilde nauwelijks van de domme bezuinigingskoers van Rutte II. Zijn verstandige opmerkingen over het verdelen van de rekening van het klimaatbeleid werden gehoord als het tegenhouden van klimaatbeleid, zonder dat hij daar al te hard tegen protesteerde. 

Ik hoop nog steeds op een CDA dat zich bewust is van de Europese traditie en die ook wil uitdragen. Maar het zou veel spannender en vruchtbaarder zijn om dit te verbinden met een actieve Rijnlandse politiek: behoud van de verzorgingsstaat en grotere wettelijke bescherming van werknemers. Actief klimaatbeleid dat geen inkomensongelijkheid oplevert en een Europa dat het gezicht naar de wereld gekeerd heeft.

C.wessel Volzin

Toerisme in Amsterdam

Het toerisme in Amsterdam brengt overlast met zich mee. Deels in de categorie klein leed. Een beperkt aantal straten, grachten en pleinen is zo vol dat het vanzelf een voetgangersgebied geworden is. En niet iedere toerist is meteen een volleerd wielrijder. Maar de echte overlast komt niet van het aantal mensen op straat, maar van hun gedrag.

Amsterdam is vanaf de jaren zestig internationaal bekend geworden als een stad van drugs en prostitutie. De openbare (semi-)legale vorm die in Amsterdam is ontwikkeld (prostitutieramen en coffeeshops) hebben hen tot een makkelijk toegankelijke toeristische attractie gemaakt. Hier komen duizenden op af.

Deze vorm van toerisme drukt Amsterdam op de vraag wat voor stad het wil zijn. Wil het een stad zijn van prostitutie, bachelorparties en drugs, dan trekt het een bepaald soort toeristen en een bepaald soort ongewenst gedrag van toeristen. Als je dat niet wil, moet je vergaande maatregelen nemen. Het beste is om de prostitutieramen en de coffeeshops te sluiten. Daarmee los je niet alle problemen rond prostitutie en drugsgebruik op, maar het zijn zo geen toegankelijke attracties meer. 

Bestuurders en bewoners van Amsterdam zullen een omslag moeten maken in hun mentaliteit. Te lichtvaardig en te romantisch werd en wordt er gedacht over de schadelijkheid van drugs en prostitutie en de daarmee verbonden zware criminaliteit. Een romantisch en naïef beeld van ‘vrijheid’ zit veel goed bestuur in de weg.  

Wie kijkt naar de historische binnenstad raakt weliswaar onder de indruk van de koopmanswoningen die, aaneengeregen langs de grachten, burgerlijke vrijheid en onafhankelijkheid uitstralen. Maar het waren altijd de publieke gebouwen (stadhuis, kerken, weeshuizen, kazernes en poorten) die de stad domineerden en in hun greep hadden. 

Vrijheid eist een krachtig bestuur. Het stadsbestuur moet bevoegdheden hebben voor meer grip op de stad. Toeristische verhuur van woonhuizen en een te eenzijdig winkel- en horeca-aanbod kan zo ook beter worden gereguleerd. Ook binnen de bestaande regels is voldoende mogelijk. Het verbijsterende rapport van stadsombudsman Arre Zuurmond over de misstanden op de wallen, laat zien dat er een groot gebrek aan handhaving en aan samenwerking tussen handhavers bestaat. 

Voor een ander soort toerisme en voor een betere stad zal Amsterdam zal zich nog meer als een stad van cultuur, handel en wetenschap moeten profileren. En ook als een stad van godsdienst. Laat het gemeentebestuur ook die kansen grijpen. 

Coen Wessel

Commentaar In de Waagschaal april 2019

C.wessel Volzin

Een mozaïek van kerkplekken

In de concept-nota ‘Mozaïek van kerkplekken’ van de Protestantse Kerk wordt voorgesteld om pioniersplekken en andere nieuwe initiatieven te laten doorgroeien naar een kerkordelijk nieuwe vorm van gemeentezijn: een kerngemeente. Dat wordt een gemeente zonder veel kerkordelijke verplichtingen, geleid door een kernraad met minstens drie ambtsdragers.

Aanleiding is het verlangen van een aantal pioniersplekken om niet afhankelijk van een zendende gemeente te blijven. Ze willen graag zelfstandiger worden, maar gemeente worden met alle kerkordelijke verplichtingen en predikantensalarissen van dien is een te zware last. 

De gedachtenlijnen in de nota spreken mij niet aan. De nota geeft wel een oplossing, maar het is onduidelijk hoe groot en dringend het probleem is. Hoeveel pioniersplekken lopen echt tegen grenzen aan? De nota geeft daar nauwelijks inzicht in.

Veel pioniersplekken zitten niet op ambten te wachten. Ze hebben een kern van betrokken mensen die egalitair samenwerken. Introductie van ambten vergroot de bestuurskracht niet en kan demotiverend werken. Het is beter om te blijven improviseren en een beetje chaos te aanvaarden. Een classispredikant kan eventueel bijsturen. 

Eén van de drie ambtsdragers in de kernraad zou een nieuw soort predikant moeten worden. Deze volgt hiervoor een tweejarige parttime-opleiding op Hbo-niveau, met een studiebelasting van één dag in de week. Dat kan ongewenste ontwikkelingen opleveren. Straks willen ook bestaande gemeentes zich omvormen tot kerngemeenten en krijgt een deel van de kerk predikanten met een minieme opleiding en dito salaris. En zal de minister zich afvragen of het nog nodig is om zo’n zware Protestantse Theologische Universiteit te betalen. Echte pioniersplekken zijn bovendien bij uitstek gebaat bij de ondersteuning door een goed geschoolde en betaalde theoloog. Wie werkelijk nieuwe wegen wil verkennen moet goed (theologisch) kunnen reflecteren. 

Om het gewicht van opleiding te relativeren wordt het oecumenische Lima-rapport aangehaald. ‘Ordinatie (bevestiging met handoplegging) is belangrijker dan opleiding’ zou er in het Lima-rapport staan. In het Lima-rapport wordt inderdaad gezegd dat een academische opleiding niet alles is en dat academici niet mogen neerkijken op niet-academici. Maar nergens wordt ordinatie uitgespeeld tegen opleiding. Het Lima-rapport vindt ordinatie belangrijk, maar met een heel ander doel en in een andere context. Ordinatie is van belang vanwege de apostolische successie. Daar spreekt de nota niet over. 

Heel de kerk is gebaat bij eenvoudigere structuren. Ook differentiaties in het ambt van predikant zijn gewenst. Maar de richting van deze nota moeten we niet op. 

Coen Wessel

C.wessel Volzin

Muziekbeleid voor de Protestantse Kerk



De Protestantse Kerk heeft geen muziekbeleid. Dat bemoeilijkt de ontwikkeling van de kerkmuziek in Nederland.

Het ontbreken van muziekbeleid komt voort uit een traditie van desinteresse. De gereformeerde kerk heeft muzikale begeleiding lang gewantrouwd. Begeleiding zou maar afleiden van de inhoud van de tekst. Deze fixatie op de tekst leidde tot een blinde vlek voor muziek. Bij het samenstellen van de eerste liedboeken (1806 en 1869) waren de melodieën dan ook nauwelijks voorwerp van overleg. Zelfs bij de felle discussies rond het Liedboek voor de Kerken (1973) ging het voornamelijk om de teksten van de liederen.

Er zijn ook inhoudelijke redenen waardoor de Protestantse Kerk geen muziekbeleid maakt. De voorlopers van de Protestantse Kerk hadden alles wat met het kerklied te maken had uitbesteed aan de Interkerkelijke Stichting voor de Kerkmuziek (ISK). Deze stichting koesterde de kerkmuzikale erfenis van het Liedboek voor de Kerken (1973). Kerkmuzikaal oriënteerde dit Liedboek zich op de Duits-nationale kerkmuziekbeweging van de jaren twintig. Die was anti-modern. De muziek van de reformatie gold als ideaal. Echte moderne muziek met zijn ‘individualisme en liberalisme’ werd verworpen.

Die lijn zette het ISK na het verschijnen van het Liedboek voor de Kerken (1973) voort. Bij projecten en uitgaves werd muziek uit Afrika, Azië en Latijns Amerika, jazz, spirituals, maar ook elk soort evangelicaal kerklied buiten de deur gehouden. De ISK kreeg voor dit beleid nooit voldoende tegengas vanuit de kerken.

Bij het samenstellen van het Liedboek 2013 leek een breder muziekbeleid binnen handbereik. Voor het eerst kwamen de verschillende kerkmuzikale stromingen in de Nederlandse kerkmuziek met elkaar in gesprek. Het Liedboek 2013 is daardoor onverwacht muzikaal breed. Na 2013 is daar geen vervolg aan gegeven. Daardoor is er nauwelijks ondersteuning voor groepen die meer willen dan koorzang of orgelspel. Gesprek en kruisbestuiving tussen de verschillende stromingen blijft uit.

Het enige hoopgevende initiatief van de laatste jaren is het ‘Huis van de Kerkmuziek’ geweest waarin verschillende organisaties zich gezamenlijk presenteren. Maar verder dan een website is het niet gekomen.

Mijn advies aan de Protestantse Kerk is: neem je verantwoordelijkheid. Kijk of er een organisatie in elkaar te timmeren is die stimulansen en leiding wil geven aan de Nederlandse kerkmuziek. Maak een pilot waar iemand met een brede visie op muziek samen met een goede fondsenwerver een plan uitdoktert. Daar zijn veel harten mee te winnen.

Coen Wessel


C.wessel Volzin

De Friese identiteit

Wat Fries-zijn inhoudt is onduidelijk, maar ook reëel. Het zit hem in de taal. In de schilderkunst van Willem van Althuis, die van het ijle landschap een spirituele ervaring maakt. In het dorpsleven met zijn korfbalverenigingen, muziekkorpsen, kerken, familiezin en gemeenschapszin. 

Onderdeel is ook een anti-Randstadsentiment. De Friese beweging houdt zijn jaarlijkse toogdag bij Warns, waar ooit een Hollands leger werd verslagen. ‘Leaver dea as slaef’ staat er nogal over the top op het monument ter plekke. Alsof de Hollander een vijand en onderdrukker is. Helemaal uit de lucht gegrepen is dat niet. Bij besluiten die een perifeer deel van Nederland raken (aardgaswinning, regulering landbouw, aanleg van infrastructuur) wint de Randstad. Tegelijkertijd wordt die achterstelling volop gekoesterd in Fryslân. 

De Friese beweging zag – net als de Duitse en Vlaamse beweging - de taal als kern van de Friese identiteit. Met succes is voor de gelijkberechtiging van het Fries gestreden. Maar de gesproken Friese taal is in snel tempo aan het vernederlandsen. Dat roept de vraag op: wat is dan wel de Friese identiteit?

De ‘Blokkeerfriezen’ – de mensen die een bus met anti-Zwarte Piet-demonstranten klem reden -  beroepen zich op hun Friese identiteit. Deels hebben ze een punt met hun beroep op de Friese identiteit. Een zwart geschminkte Zwarte Piet roept in Dokkumerzijl andere associaties op dan in Amsterdam-Oost. De traditionele Zwarte Piet handhaven hoort bij het ‘zo doen we dat hier’ waarmee een dorpssamenleving leeft. Maar ook hier zal Zwarte Piet op den duur (moeten) veranderen. Ook Fryslân hoort bij een multi-etnische samenleving waar een zwart geschminkte man negatieve associaties bevestigt. 

Het gevaar is dat de blokkade en de daaropvolgende rechtszaak, met alle emoties van dien, de Friese identiteit gaat herdefiniëren. Alles komt in het frame: wij tegen de Randstad. Een positieve identiteit ontbreekt en oog voor andere tegenstellingen en verlangens verdwijnt.  

De afgelopen jaren is vanuit de (zwakke) Friese beweging geprobeerd om aan de Friese identiteit een bredere invulling te geven dan taal alleen. Cultuur zou daarbij de hoofdrol moeten spelen. Tot nu toe was dat niet heel succesvol – niet iedere Fries loopt zomaar warm voor culturele zaken. 

Veelbelovender en laagdrempeliger waren de activiteiten die in het kader van ‘Leeuwarden Culturele Hoofdstad’ in tientallen Friese dorpen georganiseerd werden. Het waren kleinschalige producties rond landschap, Friese geschiedenis en kerk. Hele dorpsbevolkingen speelden daar in mee. Hier broeit iets van een positieve identiteit die uniek is en voorbeeldig.

C.wessel Volzin

De ziel van de Brexit

Ironisch en tragisch aan de Brexit is dat al die mensen die een onafhankelijker Verenigd Koninkrijk wensten er straks achter zullen komen dat het Verenigd Koninkrijk veel afhankelijker is geworden. Op allerlei gebieden zal het Verenigd Koninkrijk straks rekening moeten houden met Brussel, de VS en misschien zelfs met China of de Russische maffia. 

Nederland is vertrouwd met een positie van afhankelijkheid. Wij hadden altijd machtige buren en het besef afhankelijk van hen te zijn en baat te hebben bij samenwerking zit diep in de nationale ziel gegrift. De ziel van het Verenigd Koninkrijk ziet er heel anders uit. Groot Brittannië is 200 jaar een supermacht geweest. Dat heeft het land het idee gegeven los van anderen zijn eigen koers te kunnen bepalen. Dit zelfbeeld heeft het Verenigd Koninkrijk de kracht gegeven om tussen 1940 en 1941 in zijn eentje Hitler te weerstaan. Maar  na het verlies van de status van grote mogendheid heeft het Verenigd Koninkrijk onvoldoende afscheid genomen van haar solipsistische zelfbeeld. Ook Tony Blairs poging om het Verenigd Koninkrijk een nieuwe identiteit te geven – Brittannië als een hippe en vooruitstrevende place to be: Cool Britain – was niet meer dan de culturele variatie op het imperiale thema van het Verenigd Koninkrijk als de navel van de wereld.

Wat niet mee heeft gewerkt bij het Brexit-referendum is dat juist het idee van ‘standing alone’ steeds dieper ons individuele zelfbeeld bepaalt. Een mens gaat alleen door het leven, moet voor zichzelf opkomen, staat alleen in zijn intieme relaties en is op school en op de arbeidsmarkt zijn eigen kleine, op zichzelf aangewezen ondernemer. Zoals mensen naar zich zelf hebben leren kijken, zo kijken ze naar hun land: ‘wij moeten het zelf doen’. 

Maar het ligt niet alleen aan de Britten. Internationale samenwerking heeft de belofte van vooruitgang verloren. De Europese Unie brengt wel een vrij verkeer van kapitaal en arbeidskrachten, maar beschermt onvoldoende de lonen en de rechtspositie van werknemers. Het is voor veel mensen te onduidelijk wat ze voor goeds van de Europese Unie mogen verwachten. Laat staan van nog grotere internationale samenwerking. Het lijkt alsof elk land alleen maar voor zichzelf moet knokken. Tegelijk is het zonneklaar dat Europa om vrij en welvarend te zijn moet samenwerken. Willen we een liberaal Europa handhaven, dat niet in nationalisme ten onder gaat, dan moeten we een veel socialer Europa bouwen.

Coen Wessel

C.wessel Volzin

De pastorie in de stad

De sterke stijging van de huizenprijzen in de grote steden verscherpt een al jaren bestaand probleem in het beroepingswerk van predikanten. Steeds meer gemeentes – met name in de grote steden – bieden een predikant geen pastorie aan. Nu de huizenprijzen en de huurprijzen in de vrije sector zo gestegen zijn, is het voor predikanten niet mogelijk om predikant te worden in een grote stad zonder een partner te hebben met minstens een modaal salaris. 

De mogelijkheid om niet in een pastorie te wonen is aanvankelijk op verzoek van een aantal predikanten tot stand gekomen. Zij wilden graag een woning kopen waar ze na hun pensioen in konden blijven wonen. Met het oog daarop is geregeld dat predikanten en gemeente ‘in overleg’ kunnen besluiten dat een predikant niet in een pastorie woont. Maar met een nieuwe predikant vindt dat overleg nooit plaats. Als een gemeente bij het beroepingswerk aangeeft geen pastorie te hebben, dan heb je als sollicitant geen enkele keus. 

De predikant wordt enigszins gecompenseerd als hij of zij geen pastorie krijgt aangeboden. Hij of zij ontvangt  dan € 380 tot € 650 per maand. Dat zijn bedragen die een student voor een kamer betaalt. De regeling die ooit ontworpen was om predikanten een beter pensioen te geven zorgt er nu voor dat een groot aantal predikanten beperkt wordt op de arbeidsmarkt.

Het probleem bestaat al jaren, maar er wordt niet aan een oplossing gewerkt. De kerkbesturen moeten  hier hun verantwoordelijkheid grijpen. De Bond van Nederlandse Predikanten moet er eindelijk eens zijn gewicht achter zetten. Het is een misverstand dat de achteruitgang van de kerk ook tot achteruitgang in de salarissen of de arbeidsvoorwaarden van predikanten moet leiden. Juist in een lastige situatie is een goede – en dus redelijk betaalde – predikant nodig. 

Als er eenmaal geen pastorie is, is het duur om een nieuwe te kopen. Voor sommige gemeentes zal dat geen bezwaar zijn. Andere gemeentes gaan failliet als ze pastorieën moeten kopen. Een oplossing zal voor een deel maatwerk moeten zijn. Maar ook dat maatwerk komt niet tot stand zonder forse druk op de gemeentes. Heel vaak zal het een gemeente extra geld kosten. 

Vroeger was de onuitgesproken regel in het beroepingswerk: wij verwachten dat uw vrouw zich inzet voor de zondagsschool en voorzitter wordt van de vrouwenvereniging. Nu staat er met onzichtbare inkt in de beroepingsadvertenties van stadsgemeentes: wij verwachten dat uw partner minstens modaal verdient.

Coen Wessel