C.wessel Volzin

Waarom raakten de Corona-zieken en -doden uit beeld?

Een van de meer intrigerende vragen in de Corona-epidemie is, waarom er in Nederland in de tweede en de derde golf veel minder aandacht is geweest voor de zieken en de doden. Ongetwijfeld zullen allerlei psychologische mechanismes een rol spelen, maar een belangrijke oorzaak is ook de Nederlandse aanpak van de Corona-crisis: sturen op Intensive Care-capaciteit.

Nederland koos er voor om te sturen op de IC-capaciteit. Doel van de Corona-maatregelen werd er voor te zorgen dat de ziekenhuizen en dan met name de Intensive Care niet overbelast raakt.

Sturen op IC-capaciteit betekent dat er in de samenleving een zekere ruimte is om activiteiten door te laten gaan. Er zijn een beperkt aantal ‘bewegingen’ of activiteiten mogelijk. Als het aantal besmettingen laag is wat meer activiteiten, als het aantal besmettingen hoog is wat minder, maar de ruimte voor activiteiten is hoe dan ook schaars.

Wat we het afgelopen jaar gezien hebben is dat er een strijd is geweest over deze schaarste. Elke sector kwam voor zichzelf op. De bedrijven wilden dat ze zoveel mogelijk open bleven. De winkels en de horeca wilden open blijven, de kerken wilden open blijven, de sportscholen etc.

Voor een deel is die schaarste verdeeld volgens beginselen van gezond verstand: in een discotheek loop je veel kans op besmetting, dus het ligt voor de hand om de discotheek op slot te gooien. Maar bij andere sectoren lagen er allerlei afwegingen aan de verdeling van de schaarse ruimte ten grondslag die zeker ook met macht en invloed in Den Haag te maken hadden.

Wie precies de winnaars waren is me niet helemaal duidelijk (Schiphol, bedrijven?), maar de verliezers waren de kleinere winkels, de horeca, de theaters, de sportscholen en sectoren met extreem weinig lobby-macht, zoals de kermisexploitanten.

Ook rond de vaccinatie ontstond een machtsstrijd wie het eerst gevaccineerd moest worden: de meest kwetsbaren of toch het medische personeel? En wie van hen: ook de huisarts en ook de administratief medewerker? En waren er eigenlijk niet veel meer ‘noodzakelijke beroepen’, zoals de politie of de leraren en moesten ook zij niet eerder gevaccineerd worden?

Tijdens de eerste golf werd iedereen overspoeld en golden de maatregelen voor (bijna) iedereen: winkels en bedrijven waren gesloten, de treinen reden mondjesmaat, er was nauwelijks (woon-werk)-verkeer. Omdat iedereen deelde in hetzelfde lot was er een grotere mate van solidariteit en was er aandacht voor de meest direct getroffenen: de doden, hun nabestaanden en de zieken. Maar tijdens de tweede en de derde golf was er een veel groter verschil tussen sectoren en verschillende groepen burgers. Ieder moest opkomen voor het eigen belang. Bedrijven zaten te wachten op: wanneer mogen wij weer open. Burgers zaten te wachten op: wanneer mogen wij gevaccineerd worden. Zo verschoof de aandacht van een gezamenlijk kijken naar wie er slachtoffer waren, naar een individualistische kijken: wanneer word ik bevrijd. De zieken kwamen alleen nog maar in beeld als ‘besmettingscijfer’ dat moest dalen.

Een opgave voor een komende nationale Corona-herdenking wordt om uit de concurrentie-modus te komen. Zieken en doden worden zo weer mensen. En dan ontstaat er ruimte voor alles wat er verdrongen werd aan verdriet, levensvreugde en rouw.


Coen Wessel

C.wessel Volzin

Oproep voor een nationale corona-herdenking



Wij roepen op om in het najaar van 2021 een nationale corona-herdenking te organiseren.

Deze maand worden er steeds meer corona-restricties opgeheven. De eerste, begrijpelijke, reactie is om alles achter ons te laten en het afgelopen jaar als een nachtmerrie te zien waaruit we gelukkig ontwaakt zijn.

Zo is het geweest na de oorlog en na de Watersnoodramp. Pas in de jaren zestig kwam er aarzelend aandacht voor het onvoorstelbare leed van de jodenvervolging. Rond de herdenking van 50 jaar Watersnoodramp in 2003 kwamen pas echt de verhalen over de stormnacht van 1953 los.

Nu hebben we opnieuw een ramp beleefd. Er zijn honderdduizenden mensen ziek geweest en tienduizenden mensen gestorven. Onze samenleving heeft maandenlang in allerlei vormen van lockdown geleefd en als de regering niet op grote schaal bedrijven gesteund had, was de economische schade nog veel groter geweest. Ook nu dreigt de Corona-epidemie snel vergeten te worden. Londen heeft zijn muur vol rode hartjes, Washington zijn park vol met witte kruisen, Duitsland herdacht in april zijn Corona-doden maar Nederland heeft nog niets wat daar op lijkt.

Onvoldoende herdenken betekent dat mensen in eenzaamheid met hun verhalen en hun belevenissen blijven zitten. De verhalen van mensen die hun partner of hun ouder verloren worden niet gehoord. De verhalen van mensen die wekenlang met angst naar hun werk gingen, ziek in bed hun ademhaling controleerden of die nog steeds een groot stuk van hun gezondheid kwijt zijn, sneeuwen zo onder. Met een herdenking blijft zichtbaar dat er een grote ramp is geweest.

De Westerse wereld is binnenkort een mooi gevaccineerd eiland, maar in de rest van de wereld gaat de Corona-epidemie door met steeds nieuwe en steeds gevaarlijkere varianten. Herdenken laat zien: we zijn er nog niet, we zijn er pas als de epidemie wereldwijd bedwongen is.

Bij een herdenking moet ook worden benoemd dat regering en samenleving tekort geschoten zijn. De groepen met de minste kansen of macht hebben de hardste klappen gekregen. Alle aandacht en alle hulpmiddelen zijn gegaan naar de zorg in de ziekenhuizen, in de verpleeghuizen voltrok zich een stille ramp. Mensen uit de middenklasse konden vaak makkelijk thuiswerken, maar als je schoonmaakte of in een slachthuis werkte kon dat niet en moest je ook in een onveilige situatie aan de slag, op straffe van ontslag. Ook dit moeten we niet herhalen.

Zo’n herdenking kan niet vrijblijvend zijn. Er moet een duidelijke centrale, nationale viering zijn met werkonderbrekingen en stilstaande treinen. Daarnaast kunnen in scholen, gemeentes, bedrijven en voetbalclubs bijeenkomsten zijn waar aandacht is voor plaatselijke verhalen. Duitsland herdacht met een kerkdienst, wij denken dat een neutrale, veelkleurige herdenking het best bij ons land past.

Collectief gedenken is nodig om de herinnering en de lessen van deze Corona-epidemie levend te houden. Niet herdenken doet vermoeden dat er niets gebeurd is. Zo winnen de Corona-ontkenners alsnog. Gedenken houdt vast wat er gebeurd is en kweekt draagvlak voor adequaat handelen bij de rampen die nog gaan komen.

Henk Bakboord, auteur

Azzedine Karrat, imam

Jan-Jaap van Peperstraten, pastoor

Eddy Terstall, filmmaker

Coen Wessel, predikant

C.wessel Volzin

‘Geroepen en gezonden’, predikanten voor de 21e eeuw

Op de komende synode van de Protestantse Kerk wordt het rapport ‘Geroepen en gezonden’ besproken. Directe aanleiding voor het rapport is de discussie rond het rapport ‘Mozaïek van kerkplekken’ (2019). In dat rapport werd voorgesteld om pioniersplekken de mogelijkheid te geven om door te groeien tot ‘kerngemeentes’ met maar enkele ambtsdragers in de kerkenraad. Eén van hen zou een nieuw soort predikant moeten worden. Een tweejarige parttime-opleiding op HBO-niveau, met een studiebelasting van één dag in de week zou daarvoor voldoende zijn. Tegen het rapport kwam nogal wat verzet. Het leidde er toe dat de synode akkoord ging met de ‘kerngemeentes’. Maar voordat ze een besluit zou nemen om een nieuw soort predikantschap met andere opleidingseisen in te stellen, wilde de synode eerst een nieuw rapport over het ambt van predikant.

Dat rapport ligt er nu. Op verzoek van het moderamen hebben de opstellers een brede invalshoek gekozen. De situatie in de ‘kerngemeente’ is, zo stelt het rapport, slechts een van de vele nieuwe vormen van predikantschap. Al langer is er een diversificatie in het predikantsambt gaande: er zijn predikanten in een mobiliteitspool, interim-predikanten, classispredikanten, diaconale predikanten, voorgangers op pioniersplekken en in instellingen als ziekenhuizen, verzorgingstehuizen en gevangenissen naast de predikanten in geografische wijkgemeentes, die eigenlijk ten onrechte predikanten voor ‘gewone werkzaamheden’ worden genoemd. Voor die verschillende werkvelden zijn verschillende soorten voorgangers met deels verschillende opleidingen nodig. Voor al die verschillende vormen wil het rapport een ambtsvisie bieden. Beide rapporten hebben zo een postmoderne insteek: er is sprake van een ‘mozaïek’ en van ‘diversificatie’. Diverse vormen kerk-zijn en kerkelijke presentie staan naast elkaar. De geografische wijkgemeente is niet beter, gewoner of eigenlijker dan andere vormen van kerk-zijn en dat geldt ook voor hun voorgangers.

Ambtstheologie

Het rapport schetst vervolgens een ambtstheologie die recht moet doen aan de veronderstelde diversiteit. Ik zal straks een paar kritische opmerkingen maken over het rapport, maar de ambtstheologie spreekt mij aan. Het is een heldere en goed doordachte visie op het ambt, die ook nadrukkelijk aansluit bij de wereldwijde oecumene. Het ambt van voorganger wordt in het rapport sterker dan voorheen onderscheiden van het ambt van ouderling en diaken. Diaken en ouderling bekleden hun ambt in de gemeente, de voorganger is ambtsdrager in de gehele kerk. De voorganger wordt dan ook door de kerk getoetst en toegelaten. De voorganger wordt geordineerd (bevestigd met handoplegging). Het is een ambt voor het leven en omvat de hele persoon van de voorganger. De eigen spirituele ontwikkeling en de rol als voorganger versterken elkaar.

Het eigene van het predikantsambt ligt in de bediening van Woord en sacramenten. ‘Woord’ verwijst daarbij niet per se naar de Schriften in de oorspronkelijke oude talen, maar moet breder verstaan worden ‘naar het staan in de traditie van het geopenbaarde, doorgegeven en verkondigde Woord. Het Woord is immers ten diepste Christus zelf, het vleesgeworden Woord’. Vanuit dit dienaarschap heeft de voorganger ook een geestelijk gezag in de gemeente. De voorgangers moeten wel thuis zijn in het Woord, maar ze hoeven niet per se de grondtalen te kennen.

Bestaat het probleem?

Toen twee jaar geleden het rapport ‘Mozaïek van werkplekken’ verscheen heb ik in In de Waagschaal (2019, nr.2) de vraag gesteld welk probleem dit rapport nu eigenlijk oploste. Volgens ‘Mozaïek van kerkplekken’ zouden veel pioniersplekken tegen hun grenzen aanlopen en graag kerngemeente willen worden. Ik vroeg mij af of die problematiek wel bestond en er echt wel zo veel pioniersplekken een kerngemeente wilden worden. Als antwoord kreeg ik toen dat hun aantal werd geschat op ‘30 tot 70 plekken in de komende vijf jaar’. In het rapport ‘Geroepen en gezonden’ wordt nu opgemerkt dat er tot nu toe slechts één kerngemeente is gevormd en dat het de komende jaren om 15 tot 20 kerngemeentes zou gaan. Vermoedelijk zullen nog veel minder pioniersplekken zich omvormen tot kerngemeente – ook al omdat op landelijk niveau het enthousiasme voor pionieren verflauwt. Ook wordt er in het nieuwe rapport ‘Geroepen en gezonden’ niet meer gezocht naar een aparte opleiding voor de voorgangers van de kerngemeentes. Heel verstandig wordt daarover gezegd: als er werkelijk pioniers zijn, die zonder veel theologische opleiding een pioniersplek van de grond weten te tillen en laten overgaan in een kerngemeente, dan moeten zij haast wel over singuliere gaven beschikken. Daar hoeft dus geen aparte regeling voor te komen, deze pioniers kunnen op grond van hun singuliere gaven voorganger worden. Er zit een zekere ironie in, dat de veronderstelde problematiek waar dit gehele beleidstraject mee startte, nu als zo marginaal wordt gezien dat er geen nieuwe maatregelen nodig zijn.

Ook voor het nieuwe rapport, ‘Geroepen en gezonden’, wil ik de vraag stellen: welk probleem wil het oplossen en bestaat dat probleem eigenlijk wel. Klopt het uitgangspunt van het rapport dat er een groeiende diversiteit optreedt in het vak/ambt van predikant en dat dat een probleem is. Ik denk het niet. De diversiteit in de werkvelden van predikanten voor gewone werkzaamheden was en is inderdaad enorm. Een bloeiende wijkgemeente in Nunspeet met volop jeugd verschilt in alle opzichten van de dapper volhoudende gemeente van Rotterdam-Ommoord. En toch hadden en hebben hun predikanten terecht dezelfde opleiding. In beide moet je als voorganger vanuit je levende geloof en de kennis van Schrift, traditie, wetenschap en samenleving werken. En ja, een diaconaal predikant doet wat ander werk dan een gemeentepredikant, maar de diaconale predikant heeft ook in de eerste plaats een opleiding in kerkgeschiedenis, filosofie en bijbelwetenschappen nodig om intellectueel en creatief zijn of haar werk te doen en niet losgezongen te raken van de kerk. De ene opleiding voor de verschillende arbeidsvelden is een grote kracht. Die ene opleiding is ook zo goed dat predikanten vervolgens zelf hun weg vinden in de diversiteit van de samenleving. De differentiatie in opleiding en de implementatie van de vele nieuwe regelingen vragen bovendien een stevig uitvoerend apparaat bij de opleidingen en bij de kerk, dat in geen verhouding tot de aantallen studenten staat.

HBO-predikant

Ik zou de hele problematiek anders willen benaderen. Niet het werk vraagt om zoveel diversere predikanten – zeg de vraagkant - maar er is een aanbod van goede mensen waar we te weinig mee doen. Er zijn mensen met een HBO-theologie die graag predikant zouden willen worden. En ik kan me situaties voorstellen waarin ze dat prima zouden kunnen zijn. In het voorstel van ‘Geroepen en gezonden’ zou er een aparte klasse gemeentes komen waarin deze HBO-ers als voorgangers aan de slag kunnend. In deze gemeentes zou het traktement wel lager liggen en zou de gemeente ook zelf minder hoeven te betalen. De HBO-ers zouden wel eerst een jaar onderwijs op WO-niveau moeten volgen. En met een nog weer aanvullende opleiding zouden ze verder kunnen doorstromen.

Het lastige van dit voorstel is, dat er een marktdynamiek in de kerk ontstaat. Het is aantrekkelijk voor gemeentes die niet zo zwaar tillen aan een academisch gevormde predikant om een ‘HBO-gemeente’ te worden, want je krijgt meer predikant voor minder geld. In dit voorstel zou je in zo’n gemeente zelfs ook een predikant met een 6-jarige WO-opleiding kunnen beroepen, voor een HBO-traktement. Dat is een verkapte loonsverlaging.

Het probleem van de marktdynamiek wordt in ‘Geroepen en gezonden’ gelukkig wel onderkend. Het Breed Moderamen van de Classis zou hier sturend en remmend moeten optreden. Dat legt veel werk en een zware verantwoordelijkheid bij het Breed Moderamen. Het kan makkelijk onder druk worden gezet vanuit de gemeentes.

Ik doe een tegenvoorstel doen: maak inderdaad een aparte klasse van gemeentes waar HBO-predikanten beroepen kunnen worden, maar zorg er voor dat deze gemeentes net zoveel afdragen als alle andere gemeentes. Een HBO-predikant is dan niet goedkoper dan een WO-predikant. Op deze manier voorkom je dat financiële overwegingen bij een gemeente meespelen om een HBO-predikant te beroepen.

Ideeënbank

Het rapport bevat verder veel voorstellen en ideeën die duidelijk maken dat er in de werkgroep met plezier is nagedacht en doorgedacht. Er zitten ideeën tussen die het overwegen en doordenken waard zijn, zoals een verkorte studie voor mensen die al een master in de medicijnen of de rechten hebben of een extra schaal voor gepromoveerde predikanten. Maar het geheel aan voorstellen heeft het karakter van een stortvloed. Het zijn te veel veranderingen ineens om wijs door te voeren. Mijn voorstel is om eerst te beginnen met het regelen van de HBO-predikant en daar een paar jaar mee te werken en alle andere voorstellen als ideeënbank te gebruiken voor toekomstig beleid.

Tenslotte. In juni 2020 zijn met zo’n 100 predikanten in kleine groepjes per classis gesprekken gevoerd over hun predikantswerk onder de titel ‘vitale roeping’. Ook al schetst het verslag van die gesprekken wel een erg somber beeld, het neemt niet weg dat deze predikanten een aantal heel reële problemen hebben besproken: lastige samenwerking met de kerkenraad, gebrek aan ambtsopvatting bij de kerkenraad, nieuwe eisen aan de predikant met het oog op veranderingen in de samenleving, de invloed van de huizenmarkt op het beroepingswerk etc. Door de nadruk op de diversiteit van werkvelden gaat het rapport niet over de reële problemen van predikanten. Dat is een gemiste kans.

Coen Wessel

Dit artikel verschijnt in 'In de Waagschaal' 2021/6

C.wessel Volzin

'Heb je mij lief?'

Johannes 21:15-23 De Lichtkring 21 april 2021

Er moet iets uitgepraat worden. Na een knallende ruzie in de familie. Een collega misdraagt zich en jij zit met de brokken. Of je kind is heel duidelijk over de schreef gegaan. De grootste emoties zijn wat afgekoeld, er is wat tijd overheen gegaan, maar je kan niet zomaar verder. Er is wel degelijk wat gebeurd. Niet alle details hoeven uitgespit te worden, maar er moet wel iets gezegd worden.

Petrus heeft Jezus verloochend. Tot drie keer toe heeft Petrus gezegd dat ie nog nooit van Jezus gehoord had. Uit angst om ook opgepakt te worden. Of om in elkaar geslagen te worden of wat dan ook. Maar wat voor reden Petrus ook precies had, in het uur dat Jezus geslagen, veroordeeld en gekruisigd wordt, geeft Petrus niet thuis.

Het wonder van dit verhaal is dat Petrus niet wordt weggestuurd, Petrus wordt ook niet gestraft, maar hij wordt aangesproken. 

Voor mij heeft dat te maken met hoe God met ons omgaat als de dingen fout gegaan zijn. Dan legt hij in de eerste plaats een vraag bij ons neer. ‘Mens, waar ben je’ vraagt hij in het paradijs als de mens zich verschuilt in het struikgewas. ‘Waar is je broer’ vraagt hij aan Kaïn nadat Kaïn zijn broer Abel heeft doodgeslagen. Het is een vraag die oproept tot zelfreflectie. Tot het kijken in je eigen ziel.  Ook aan Petrus wordt een vraag gesteld. ‘Heb je mij lief’, vraagt Jezus. Ja, hoe zit het precies met jou. Hoe zit het met je liefde voor mij? 

Ik denk dat Christus dat ook aan ons zal vragen als we voor zijn rechterstoel verschijnen. Niet meteen een oordeel, hup, hup, maar eerst maar eens een vraag. `Heb je mij lief?’ Misschien ook wel de belangrijkste vraag in ons leven: heb jij, heeft U Jezus lief. Daar word je op aangesproken. Dat is de vraag die je tot zelfreflectie over je leven kan voeren. Voordat je in de hemel komt is dat de vraag om over na te denken: heb ik Christus voldoende liefgehad. En natuurlijk is het nog veel beter om daar niet mee te wachten tot je voor Christus verschijnt. Het beste is natuurlijk om die vraag nu toe te laten in je leven. Om nu al dat zelfonderzoek te doen, hoe pijnlijk dat misschien ook is. De vorige Paus (Benedictus XVI) zei daar over:

‘De ontmoeting met Christus kan ook iets pijnlijks hebben. Alles wat we tijdens ons leven opbouwen, kan blijken te zijn van louter stro, alleen maar ruis en lawaai, en het stort in. De ontmoeting met Christus heeft daarmee ook iets pijnlijks, wanneer de onreinheid en ziekte van ons leven duidelijk voor ons worden. Maar het is een gezegende pijn, waarin de heilige kracht van zijn liefde als een vlam door ons heen blaast, waardoor we volledig onszelf en zo totaal van God kunnen worden. De ontmoeting met Christus transformeert en bevrijdt ons, waardoor we echt onszelf kunnen worden’.

Jezus roept ons op om hem lief te hebben, ons met hem in liefde te verbinden. Hij dringt er bij ons op aan om onze ziel, onze identiteit, ons menszijn om te vormen, zodat die anders wordt, beter, mooier, meer lijkend op hem. Beeld van Christus te worden. Om ons te laten doordringen door hem. Door zijn liefde. 

Petrus is na de opstanding van Jezus maar weer gaan vissen. Maar daar kan hij niet mee door gaan. Hij kan zich niet terugtrekken op zichzelf en het aangenaam vinden zoals hij leeft met zichzelf en met Christus. Hij krijgt de opdracht om zich te binden aan de mensen van Christus. En meer zelfs, om een taak op zich te nemen, om leiding te geven. ‘Hoed mijn schapen, zegt Jezus tegen Petrus. Zorg voor mijn mensen, voor mijn gemeente. De liefde tot Christus is er niet op zich. Zo van: nu ben ik vol van Christus, nu ben ik een goed mens geworden en nu ga ik goede dingen doen. De liefde van Christus in ons bindt ons ook aan een gemeenschap. Bindt ons aan Christus’ gemeente. De verloochening door Petrus was niet alleen een verloochening van Jezus, maar ook een verloochening van de gemeenschap van Christus, een afstand nemen van de andere leerlingen. ‘Jij hoorde toch ook bij die man?’ ‘Nee, ik hoorde daar niet bij’. Ik was niet een van die mensen. Ja, zegt Jezus, jij bent wel een van die mensen, dat kan je niet loochenen. En daarom: zoek mijn mensen op en ga leiding geven.

Niet ieder van ons is geroepen om leiding te geven – ieder van ons heeft verschillende gaven, er zijn ook gaven om de beamer te bedienen of om mensen te bemoedigen – maar ieder van ons heeft wel de opdracht om zich te verbinden aan de gemeente. Dat kan in de Meerkerk zijn of in de parochie. Dat kan in de Marktpleinkerk zijn of in de Ark of in De Lichtkring, maar doorstroomd worden door de liefde van Christus betekent: bij Christus mensen zijn, je daar niet voor afsluiten: hier is je plaats. 

En als Petrus dan tot drie keer toe gezegd heeft, dat hij Jezus liefheeft, dan vertelt Jezus waar dat op uit zal lopen voor Petrus. ‘Toen je jong was, deed je zelf je gordel om en ging je waarheen je wilde’. Toen Petrus jong was omgordde hij zichzelf (vs. 7). Hij dacht: ik doe wat ik wil, ik ben autonoom, ik bepaal de eigen koers in mijn leven. ‘Maar’ zegt Jezus tegen Petrus ‘als je oud geworden bent dan is het alsof een ander je omgord en je brengt waarheen je niet wil’. Dat is het waar het liefhebben op uit loopt. Jij, als mens, blijft niet jezelf. Je bent gehackt en je wordt overgenomen. Je wordt doorstroomd met liefde en dat zal er toe leiden dat…

Petrus had Jezus verloochend om zijn eigen hachje te redden. ‘Nee, ik hoor niet bij Jezus, ik hoor niet bij zijn volgelingen’. En hier voorzegt Jezus dat de liefde van Petrus voor de gemeente van Christus er uiteindelijk toe zal leiden dat Petrus net als Jezus zijn leven zal geven voor de gemeente van Christus. Dat is waar de liefde van Christus op uitliep. ‘Hij heeft de zijnen liefgehad tot het einde’, zo begint de lijdensgeschiedenis in het evangelie van Johannes. De uiterste consequentie van Christus’ liefde voor ons was zijn kruisdood. En zo zal ook de liefde van Christus die door Petrus stroomt uitlopen op zijn martelaarsdood. 

In een buitenbijbels geschrift, de Handelingen van Petrus (XXXV), wordt verteld over deze martelaarsdood van Petrus. Petrus is inderdaad de kudde gaan leiden. En net als Paulus is hij naar Rome getrokken en leidt hij daar de christelijke gemeente. En dan komt er een moment, dat de christelijke gemeente vervolgd wordt in Rome, zo erg dat de christenen, en zeker ook Petrus, voor zijn leven moet vrezen. Het is eigenlijk net zo’n zelfde moment als Witte Donderdag. Petrus staat opnieuw voor de keuze: vluchten, de boel in de steek laten of blijven, bij de gemeente, bij de kudde blijven als een trouwe herder. En Petrus, typisch Petrus, doet wat in zijn aard zit, hij herhaalt een oud patroon, hij vlucht opnieuw. Maar dan, even buiten Rome, komt hem een man tegemoet. En Petrus herkent hem, het is Jezus. Petrus is in verwarring en vraagt hem, Heer, waar gaat u naar toe, Quo vadis? (Zie ook Johannes 13:36) En Jezus antwoordt hem: ik ga naar Rome om daar opnieuw gekruisigd te worden. Want als geloofsleerlingen als Petrus geen getuigenis van hun geloof geven, dan is die eerste kruisiging blijkbaar tevergeefs geweest. Dan komt Petrus komt tot inkeer. Hij wil niet opnieuw Jezus verloochenen. Hij draait zich om, gaat terug naar Rome, gaat terug naar de christelijke gemeente in Rome, is weer bij hen en legt daar getuigenis van zijn geloof af. Zo laat hij zien dat de liefde voor 

Jezus, de liefde van God, ook een liefde voor de gemeente is, een liefde die zo groot is dat hij zijn leven voor hen geeft. Want was hun herder weggelopen, dan hadden ze ook makkelijk de moed opgegeven, hadden ze gedacht: als het er op aan komt stelt ons geloof niets voor, maar nu laat hun herder zien wat het is om een echte herder te zijn: een herder die zijn leven inzet voor zijn kudde. Een man die niet wegloopt, maar liever sterft. Zo zien zij de kracht van hun geloof, houden ze moed en kunnen ze verder gaan, als de vervolgingen minder worden, in de gedachtenis dat je zo in de voetsporen van Jezus kan stappen.

Of dit nu precies zo gebeurd is, vind ik niet belangrijk, maar dit buitenbijbelse verhaal legt het evangelieverhaal uit. Het is een christelijke midrasj. Het verhaal peilt waar het in het evangelie om gaat. Jezus liefhebben, is zijn mensen liefhebben als Jezus. En liefhebben als Jezus is iets op het spel durven te zetten. Tot je leven aan toe.

God legt ons een vraag voor. Waar ben je, waarom verschuil je je. Waarom schaam je je. Heb je daar reden. Of hij vraagt ons: waar is je broer, heb je niet op hem gelet, waarom leeft hij niet, waar is hij gebleven. Of de vraag van Jezus: heb je mij lief? Durf je het aan om je door mij te laten raken, te laten doorstromen. Durf je het aan om dan anderen lief te hebben, je bij hen aan te sluiten. Hen lief te hebben tot het einde aan toe? Amen.



 

C.wessel Volzin

Pasen 2021

Ezechiël 37:1-10 en Johannes 20:1-20 Eerste Paasdag 4 april 2021 De Lichtkring 

Als je wint heb je vrienden, zongen Herman Brood en Henny Vrienten ooit. Een songtekst met een bittere smaak, want je hoort er ook het tegenstelde doorheen: als je niet wint, dan heb je geen vrienden. Als je niet wint word je in de steek gelaten. Dat is gelukkig niet altijd zo. Hier in onze gemeente proberen we er alles aan te doen om te zorgen dat we juist bij verlies voor elkaar klaar staan. Langs gaan bij mensen, voor zover dat kan, opbellen. Vlak voor Pasen viel bij gemeenteleden die wat ouder zijn of die het moeilijk hebben een kaartje in de bus, als een gebaar van hartelijkheid. Maar om elkaar te blijven vinden, om elkaar vast te houden bij verdriet of bij een nederlaag is wel een opgave. Dat is niet zo makkelijk. Petrus, Johannes en al die andere leerlingen van Jezus lukt dat niet. Als Jezus gearresteerd wordt in de hof van Getsemane, vluchten zijn leerlingen allemaal een andere kant uit. Verstrooid, verdwaald. Petrus roept zelfs dat hij Jezus helemaal niet meer kent. Jezus, nooit van gehoord. Nou ja, een jeugdzonde.

Nu de Coronaepidemie zo lang duurt is het moeilijker om elkaar vast te houden. Sowieso omdat je elkaar minder ziet. Het is prachtig dat we Kerktv hebben, maar het haalt het niet bij een viering met u allen hier in De Lichtkring. Je mist elkaar en tegelijkertijd nemen de irritaties toe. In organisaties, in gezinnen. Ruzies over hoe je je precies aan de Coronamaatregelen moet houden. ‘Je kan toch wel makkelijk bij mij langs komen, wil je soms niet?’ Het is een soort gebrek aan goede moed zich ook tot andere terreinen uitbreidt. Lontjes worden kleiner. En er komen kleine en grote ontploffinkjes, ook bij mensen die meestal gemoedelijk zijn. De epidemie leidt niet meer tot een gevoel van ‘we zetten met elkaar de schouders er onder’ – een stemming die er een jaar geleden nog wel was - maar tot een onrust en ongenoegen, een negatieve energie die alle kanten op schiet. Vriendinnen nemen afscheid van elkaar omdat de een vol voor allerlei complottheorieën gaat. Mensen laten elkaar los. 

Ezechiël staat in een nog veel ernstiger situatie. Zijn volk is verslagen, er zijn ontzettend veel mensen vermoord en zijn volk is in ballingschap weg gevoerd. Hoe moet dat zijn? Ezechiël ziet zijn volk na de nederlaag tegen de koning van Babel als een hoop verstrooide beenderen. Een macaber, maar wel een heel helder beeld. Uiteengejaagde, verstrooide mensen. Niets bindt hen meer. De beenderen zijn bovendien dor. Ze zijn uitgeblust, zoals een mens uitgeblust kan zijn. Geen sprankje leven meer. “Onze hoop is vervlogen, het is met ons gedaan”. 

Het meest logische en humane als je mensenbeenderen aantreft, zou zijn dat je ze begraaft. Dat je hen een fatsoenlijke begrafenis geeft. Begraven is een van de zeven werken van barmhartigheid. En de mensen die Jezus begraven, Jozef van Arimathea en Nicodemus, die doen dat uit liefde en respect. 

Maar God heeft iets anders met de dorre beenderen voor. God stelt een vraag: ‘kunnen deze beenderen tot leven komen?’ God stelt een vraag. Hij legt een vraag in ons midden: kan het ook anders? Kan het anders dan dat een volk uit elkaar valt na een nederlaag, zoals de leerlingen van Jezus. Kan het anders dan dat mensen elkaar achtervolgen met verwijten en van elkaar vervreemd raken.‘Kunnen deze beenderen tot leven komen?’ Kan het nog anders dan dat wij wegzinken in boosheid en depressie. Dat er misschien alleen nog maar tranen overblijven. Is iets anders mogelijk. Zou er dan niet toch een uitweg zijn, een herleving, een opstanding? 

Als Maria op de eerste dag van de week bij het graf komt, komt een opstanding niet in haar op. Ze ziet dat de steen van de opening van het graf is weggehaald en ze denkt aan grafroof. De grafrust is verstoord, hij is niet meer respectvol begraven. Ze heeft Jezus verloren, ze hebben hem gekruisigd en nu hebben ze ook nog zijn lichaam weggehaald. En vol ontzetting gaat ze naar de leerlingen toe.

Even later staat ze daar opnieuw. Ze huilt. Haar verdriet is nog even groot en ze kijkt in het graf. Maar de sfeer om haar heen is veranderd. Er is iets van de hemel in het graf gekomen. Twee engelen in witte kleren zitten in het graf. Dit is de essentie van Pasen. Dat de hemel inbreekt in het graf. Bevangen door verdriet kijkt Maria in het graf. Maar om haar heen heeft God de wereld veranderd. God breekt in in ons verdriet, in onze dorheid, onze versplinterdheid en verstrooidheid. God geeft een andere draai aan de doodsheid van zijn zoon, in de doodsheid van zijn volk. God breekt in, God opent het graf en houdt het bezet met zijn hemel. 

Heel langzaam gaan de ogen van Maria daarvoor open. Waarom huil je vragen de engelen. Maar Maria is nog helemaal in haar verdriet en kan alleen haar verdriet herhalen: ‘Ze hebben mijn Heer weggenomen’. Waarom huil je vraagt Jezus haar. Wie zoek je? Maar ook de vraag die Jezus rechtstreeks aan haar stelt is niet voldoende. Zijn gestalte herkent ze niet en zelfs zijn stem herkent ze niet. En dan noemt Jezus Maria bij haar naam. ‘Maria’ zegt hij.

Bij je naam genoemd worden. Hoe kostbaar is dat. Dat iemand weet wie je bent. Onze organist Cor Timmerman vertelde bij de voorbereiding van deze dienst over zijn vader. Zijn vader wordt weliswaar liefdevol verzorgd in het huis waar hij woont, maar ja, zoveel mensen zijn weggevallen. En de mensen die hem verzorgen, ze zijn geweldig, maar zijn vader klaagt wel: ‘Niemand noemt me meer bij mijn naam. Iedereen zegt: ‘meneer Timmerman’, niemand noemt me meer Klaas. En Cor vertelde dat hij, toen zijn vader jarig was, het woord in de familiekring genomen had, en tegen zijn vader had gezegd: ‘Vandaag zal ik je een keer Klaas noemen, want dat hoor je zo weinig meer’. Prachtig.

Maria hoort haar naam en dan beseft ze dat Jezus leeft. Maar wat is het moeilijk om te leven en je te realiseren dat Christus is opgestaan. Dat dat een realiteit is. Om te leven vanuit de wetenschap, het gevoel, de waarheid dat God een keer heeft gemaakt. Het ligt toch meer voor de hand dat Jezus is weggenomen en het ligt toch meer voor de hand om te blijven bij dat gevoel van ‘zij hebben hem weggenomen’. Om te blijven bij het tekort, bij je machteloosheid, bij verdriet en bij woede. Maar als het waar is dat God Jezus heeft doen opstaan, als het waar is dat God zijn levensadem blaast, dan moet je ook anders in het leven staan. Dan vraagt dan een ander leven van je. Dan is deze wereld – met al het verdriet dat er natuurlijk ook is – in de eerste plaats een plek van Gods genade, van Gods liefde. En Christus is opgestaan. Onze wereld is daarvan vervuld. Onze wereld is in de eerste plaats een wereld waar Gods geest waait. Het is een tuin, waar het zaad vrucht geeft en de knoppen openbarsten.

Als Ezechiël zich realiseert wat God gaat doen, dan krijgt hij eerst de opdracht om al die verstrooide beenderen aan te spreken. Om ze te bemoedigen. Om al die mensen die de moed opgeven. Die denken: duurt te lang. Wat kan mij die corona-regels nog schelen, het houdt toch nooit op. Ik ga feesten. Die mensen worden weer bij elkaar gebracht. Die gaan weer een betrokken geloofsgemeenschap vormen. Zoals wij dat nu al zijn met alles wat we doen om elkaar vast te houden en te bemoedigen, maar straks nog veel meer, hier in De Lichtkring. En daarna krijgt Ezechiël een nieuwe opdracht: hij moet niet alleen de beenderen aanspreken, maar ook de wind – hij moet ook de Geest, hij moet ook de adem van God aanspreken: blaas Geest ons aan, raak ons aan met uw adem, roept Ezechiël, zet ons hart in vlam. En Gods geest doet ook hen opstaan. Ze krijgen moed om vol te houden. Hij geeft ze hoop. Voor veel meer dan de Corona-crisis, alleen. Voor al die crisissen die er in ons leven zijn en voor al die crisissen die er gaan komen. 

Pasen is het verhaal dat Jezus is opgestaan. Pasen is het verhaal dat Maria ontdekt dat God Jezus heeft opgewekt. Pasen is het verhaal dat Gods geest door de wereld blaast. Dat hij zijn adem in ons blaast en ons doet opstaan. 

Coen Wessel

Ezechiel 37:1-10

1Ik werd opnieuw door de hand van de HEER gegrepen. Zijn geest voerde mij mee en hij zette mij neer in een dal vol beenderen. 2Ik moest er aan alle kanten omheen lopen, en zo zag ik dat er verspreid over het dal heel veel beenderen lagen, die helemaal waren uitgedroogd. 3De HEER vroeg mij: ‘Mensenkind, kunnen deze beenderen weer tot leven komen?’ Ik antwoordde: ‘HEER, mijn God, dat weet u alleen.’ 4Toen zei hij: ‘Profeteer, en zeg tegen deze beenderen: “Dorre beenderen, luister naar de woorden van de HEER! 5Dit zegt God, de HEER: Beenderen, ik ga jullie adem geven zodat jullie tot leven komen. 6Ik zal jullie pezen geven, vlees op jullie laten groeien en jullie met huid overtrekken. Ik zal jullie adem geven zodat jullie tot leven komen, en jullie zullen beseffen dat ik de HEER ben.”’

7Ik profeteerde zoals mij was opgedragen. Zodra ik dat deed hoorde ik een geluid, er klonk een geruis van botten die naar elkaar toe bewogen en zich aaneen voegden. 8Ik zag pezen zich aanhechten en vlees groeien, ik zag hoe er huid over de botten heen trok, maar ademen deden ze nog niet. 9Toen zei hij tegen mij: ‘Profeteer tegen de wind, profeteer, mensenkind, en zeg tegen de wind: “Dit zegt God, de HEER: Kom uit de vier windstreken, wind, en blaas in deze doden, zodat ze weer gaan leven.”’ 10Ik profeteerde zoals hij mij gezegd had, en de lichamen werden met adem gevuld. Ze kwamen tot leven en gingen op hun voeten staan: een onafzienbare menigte.

Johannes 20:1-18

Vroeg op de eerste dag van de week, toen het nog donker was, kwam Maria uit Magdala bij het graf. Ze zag dat de steen van de opening van het graf was weggehaald. 2Ze liep snel terug naar Simon Petrus en de andere leerling, van wie Jezus veel hield, en zei: ‘Ze hebben de Heer uit het graf weggehaald en we weten niet waar ze hem nu neergelegd hebben.’ 3Petrus en de andere leerling gingen op weg naar het graf. 4Ze liepen beiden snel, maar de andere leerling rende vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf. 5Hij boog zich voorover en zag de linnen doeken liggen, maar hij ging niet naar binnen. 6Even later kwam Simon Petrus en hij ging het graf wel in. Ook hij zag de linnen doeken, 7en hij zag dat de doek die Jezus’ gezicht bedekt had niet bij de andere doeken lag, maar apart opgerold op een andere plek. 8Toen ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf gekomen was, het graf in. Hij zag het en geloofde. 9Want ze hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat hij uit de dood moest opstaan. 10De leerlingen gingen terug naar huis.

11Maria stond nog bij het graf en huilde. Huilend boog ze zich naar het graf, 12en daar zag ze twee engelen in witte kleren zitten, een bij het hoofdeind en een bij het voeteneind van de plek waar het lichaam van Jezus had gelegen. 13‘Waarom huil je?’ vroegen ze haar. Ze zei: ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze hem hebben neergelegd.’ 14Na deze woorden keek ze om en zag ze Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was. 15‘Waarom huil je?’ vroeg Jezus. ‘Wie zoek je?’ Maria dacht dat het de tuinman was en zei: ‘Als u hem hebt weggehaald, vertel me dan waar u hem hebt neergelegd, dan kan ik hem meenemen.’ 16Jezus zei tegen haar: ‘Maria!’ Ze draaide zich om en zei: ‘Rabboeni!’ (Dat betekent ‘meester’.) 17‘Houd me niet vast,’ zei Jezus. ‘Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Ga naar mijn broeders en zusters en zeg tegen hen dat ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is.’ 18Maria uit Magdala ging naar de leerlingen en zei tegen hen: ‘Ik heb de Heer gezien!’ En ze vertelde alles wat hij tegen haar gezegd had.

C.wessel Volzin

Kant en de exodus uit het paradijs

In 1784 gaf de filosoof Immanuel Kant zijn beroemde definitie van de ‘Verlichting’, de grote filosofische, politieke en culturele beweging uit het einde van de 18e eeuw. ‘Verlichting’, schreef hij ‘is het uitgaan van de mens uit zijn zelfverschuldigde onmondigheid. Unmündigkeit ist das Unvermögen, sich seines Verstandes ohne Leitung eines anderen zu bedienen. Selbstverschuldet ist diese Unmündigkeit, wenn die Ursache derselben nicht am Mangel des Verstandes, sondern der Entschließung und des Mutes liegt, sich seiner ohne Leitung eines anderen zu bedienen. ‚Sapere aude! Habe Mut, dich deines eigenen Verstandes zu bedienen!‘ ist also der Wahlspruch der Aufklärung'. 

Het is een definitie vol met bijbelse associaties. Het gaat over een ‘uitgaan’. Zoals ooit het volk Israël uit de knechting in Egypte trok zo moet nu ‘de mens’ een andere knechting verlaten, de knechtschap van zijn zelfverschuldigde onmondigheid. Met de woorden ‘schuld’ , ‘onmondigheid’ en ‘mens’ zitten we in een ander bijbelverhaal, het verhaal over de zondeval en de verbanning van de mens ( Adam) uit het paradijs. Uit Kants definitie kan je lezen dat hij dit verhaal op een heel specifieke wijze las. Voor Kant is de mens in het paradijs onmondig. Onmondigheid heeft voor Kant te maken met het onvermogen om zich van zijn verstand te bedienen zonder de leiding van een ander. Onmondigheid is ook een juridische term. Een onmondige mens is nog minderjarig en niet handelingsbekwaam. Immanuel Kant ziet de mens in het paradijs als een onmondige mens. Hij heeft nog geen kennis, hij heeft nog niet gegeten van de boom van de kennis van goed en kwaad. Er is nog een ander die leiding aan hem geeft. Hij is als een minderjarige die nog onvoldoende verstand heeft en zich in zijn handelen door zijn vader moet laten leiden. Daar moet de mens uit vandaan. Het verlaten van deze toestand – het weggaan uit de tuin van Eden - is in werkelijkheid een bevrijdende uittocht.

Ook voor Kant heeft de mens schuld, zo blijkt uit de regels die direct op zijn definitie volgen. Maar de mens kan zijn schuld niet afschuiven op de slang of op zijn vrouw, hij is zelf schuldig. En waar bestaat die schuld uit? Zijn schuld bestaat uit zijn gebrek aan moed. De mens moet durf en moed hebben om zelf te denken. De hoofdopdracht in het leven is niet om Gods gebod te volgen, maar om zelf te denken. Beslissen, kiezen, niet laf zijn, moed tonen, durf hebben, het zijn allemaal meer Antieke en Germaanse dan bijbelse deugden. 

Het is opvallend dat Kants exegese in hoofdlijnen overeenkomt met de exegese van het Genesis-verhaal in niet-orthodoxe buitenbijbelse geschriften. In het ‘Geheime boek van Johannes’ belandt Adam in het paradijs. Maar dat paradijs is helemaal niet paradijselijk, eigenlijk is het een plaats van gif en dood. Er is maar één boom met goede vruchten, dat is de boom van kennis van goed en kwaad. Niet de slang, maar Christus zelf, spoort de mens er toe aan om toch van deze boom te eten. Het bijbelverhaal wordt hier dus omgedraaid. Weggaan uit de tuin van Eden is een navolging van Christus.

Hier zie je het ethos van een generatie intellectuelen die in de jaren zestig en zeventig de kerk verlieten. Zij ervoeren hun kerkverlating als een heilzame uittocht. Men meende nu ‘zelf te gaan denken’ en men dacht dat dat een daad vol moed was. Kerk en geloof verkochten zich als paradijs, maar waren eigenlijk een plaats van vergif. 


C.wessel Volzin

Lazarus

Het verhaal dat Jezus vertelt over Lazarus en de rijke man is wel een beetje een cliché-verhaal. De arme in dit verhaal is alleen maar heel zielig. Lazarus is vooral een hoopje ellende. Een man die bij de poort zit te bedelen. Hij is, als Job, overdekt met zweren. Hij krijgt niks van de rijke man, alleen de honden troosten hem door zijn zweren te likken.

De rijke man is alleen maar de slechterik. Hij is niet alleen rijk, maar ook ijdel: purperen gewaden, fijn linnen, elke dag een uitbundig feest. En over de arme man vertelt Jezus geen kwaad woord. Hij snakt er alleen maar naar de broodkorsten die op de grond vallen te eten. Jezus vertelt alleen een karikaturaal verhaal over een ontzettend slechte rijke man en een wel heel erg zielige man.

In dit verhaal van Jezus is alles grotesk en karikaturaal. De martelingen in de vlammen die de rijke moet ondergaan, de engelen die de arme wegdragen naar Abrahams schoot. Dat is geen ‘waar verhaal’, geen precieze beschrijving van wat er na de dood plaatsvindt. Er wordt iets uitvergroot als op een spotprent. Maar in zijn overdrijving laat dit verhaal zien hoe het gesteld is met de rijke man.

Want dit is niet een verhaal over arm en rijk. Het gaat alleen over rijk. Het gaat niet over Lazarus. De man die in de fabrieken van Bangkok werkt en dolblij zou zijn met een paar tientjes in de maand erbij, zal zich niet herkennen in dit verhaal. En ook de vrouw die bij de Voedselbank loopt en ongelofelijk haar best moet doen om de touwtjes aan elkaar te knopen zal haar schouders ophalen. Ja, ze verdient veel te weinig, maar ze voelt zich niet zo’n zielige sloeber als Lazarus. Het evangelieverhaal gaat niet over hun problemen en de keuzes die ze moeten maken. Het zegt niet: stuur je kinderen naar school, dan krijgen zij het beter. Het zegt niet: zoek je heil niet in de drank of in de misdaad. Of: word lid van de vakbond. Nee, de rijke is de hoofdpersoon, dit is een stuk evangelie voor de rijken. Zij worden aangesproken en op de korrel genomen in dit verhaal.

De rijke man. Hij heeft zijn deur dicht. Hij heeft geen contact met Lazarus. Er is een kloof tussen zijn wereld en de wereld van Lazarus. Zoals er een kloof is tussen het dodenrijk waar de rijke gemarteld wordt en de schoot van Abraham, zo is er een diepe kloof tussen het leven van de rijke man en die van de bedelaar Lazarus op zijn stoep. Maar de rijke kent Lazarus wel. Hij ziet Lazarus wel. Hij kent zelfs zijn naam. Het liefste zou hij vergeten dat er mensen als Lazarus bestaan. Het liefst zou hij zijn deur voor eeuwig op slot houden. In zo’n gated community gaan wonen, zo’n woonwijk met prikkeldraad er om heen en een portier met een slagboom er voor. Dan heeft hij geen last van hem, dan ziet hij hem niet, dan bestaat hij niet. Maar Lazarus bestaat wel en de rijke man weet het.

Een mens had twee zonen, zo begint het verhaal over de verloren zoon. Het is het basismotief van talloze bijbelse verhalen. Jacob en Esau., Kaïn en Abel Twee broers, soms ook twee zusters, en ze hebben altijd mot met elkaar, komt me bekend voor.

Ook in dit verhaal gaat het over twee zonen. Twee zonen van Abraham. Een zoon die terugkeert in de schoot van zijn vader Abraham, Lazarus. En een verloren zoon, die niet meer terugkomt, de rijke man. En net als in het verhaal van de verloren zoon, komt ook hier de verloren zoon tot inzicht. Als hij Lazarus daar zo heerlijk ziet zitten in de schoot van zijn vader, teruggekeerd tot zijn oorsprong, paradijselijk dicht bij papa als een kind op schoot, dan herinnert hij zich dat Abraham ook zijn vader is. En hij roept: Vader, Vader Abraham, heb medelijden met mij. Dan herinnert hij zich dat hij een kind van Abraham is en een kind van God en dat Lazarus zijn broeder is. Maar dat is veel te laat. Voor hemzelf, voor Lazarus en voor God. Bij zijn leven had hij aan Lazarus en aan al die andere armen moeten denken. Die zijn je broeders, daar moet je aan denken. Zo eenvoudig is het.

En dan, dan als hij zichzelf niet meer kan redden, denkt hij ietsje verder, hij denkt aan mensen die rijk zijn zoals hij. Moeten die niet gewaarschuwd worden? En dan heeft de rijke toch nog even een opdracht voor Lazarus, je bent manager of je bent het niet tenslotte. Lazarus, ik heb nog wel een karweitje voor je. Als Lazarus nou dan toch even zijn rijke broers zal waarschuwen, dan zullen ze tot inkeer komen. Maar Abraham zegt: ze weten toch wat ze moeten doen, ze hebben een hele bijbel vol die precies vertelt wat ze moeten doen. Als ze daarnaar niet luisteren dan luisteren ze ook niet naar iemand die opgestaan is uit de dood. Niet naar Lazarus, niet naar Christus zelf.

Na deze preek komt een videoclip van het lied ‘Lazarus’ van David Bowie. David Bowie schreef het lied vlak voor zijn dood en het bijzondere is dat David Bowie in dit lied een stem geeft aan Lazarus. Hij identificeert zich met Lazarus. In het bijbelverhaal is Lazarus vooral een zielig, goed iemand, en het verhaal gaat over de rijke en over zijn harde hart en dat rijken zich moeten bekeren. David Bowie vertelt aan het eind van zijn leven het verhaal van een Lazarus die gestorven is. Je ziet dat hij zo’n ouderwets doodshemd draagt. En hij is weliswaar in de hemel, maar ook daar nog worstelt hij met zijn leven: met alle wonden die hij heeft opgelopen, alle dramatische narigheid die hij doorstaan heeft. Hij vertelt ook dat hij nooit zo’n heilige was. Hij leefde als de rijke man en joeg vervolgens al zijn geld er doorheen. Hij was alleen maar op sex uit. Hij is de arme Lazarus in de hemel, maar hij is ook de rijke die slecht leefde – hij is eigenlijk een soort verloren zoon. 

In de beeldtaal van de videoclip zit iets opvallends. In de videoclip mengt Bowie het verhaal er doorheen van die andere Lazarus uit de bijbel. Dat is de man die in het Evangelie van Johannes door Jezus wordt opgewekt uit de dood. In dat evangelie van Johannes staat beschreven hoe Lazarus uit zijn graf komt strompelen: nog met zijn handen en voeten in linnen gewikkeld, nog geboeid met de banden van de dood. Je ziet die doodsbanden terug in de videoclip in de doek die hij om zijn hoofd heeft. En ergens probeert Bowie om zich te bevrijden van die linnen omhulsels, om bevrijd te worden, maar dat lukt niet helemaal. Dat maakt het lied ook aangrijpend. Het gaat over een man, rijk, arm in ieder geval verloren, die probeert om op te staan. Helemaal begrijp ik het lied en de clip niet, maar er zit iets in van een groot verlangen naar opstanding, vrijheid, hemels leven. Uiteindelijk wil hij als een blauwe vogel vliegen – waarbij die blauwe vogel een teken van een nieuwe dag, van opstanding zou zijn. 

Ik vind het mooi om zo onszelf terug te vinden in het verhaal van Lazarus: wij zijn al die figuren uit het verhaal. Wij zijn de rijke man, en de oproep aan ons, rijke vrouwen en mannen, is duidelijk: zorg voor de arme. Hij is je broeder, zij is je zuster. Zorg dat ze te eten heeft, een dak boven haar hoofd, zorg dat hij kleding heeft om aan te trekken: zoals er staat in het Werk van Barmhartigheid: kleed de naakten. Zoals we dat ook hoorden in dat fragmentje uit Tobith: deel je voedsel, deel je kleding. Maar we zijn ook de bedelende Lazarus, de mens met wonden, zo erg dat zelfs straks in de hemel de littekens nog te zien zullen zijn. Wellicht bent u ook wel de mens die veel verprutst heeft in uw leven – als de verloren zoon. Maar bovenal zijn we de mens die verlangt naar opstanding, naar een leven in de schoot van Abraham, naar een leven als die mythische blauwe vogel, naar een leven met Christus, bij Christus, in Christus, opgewekt door Christus. Amen.

Schriftlezing: Lukas 16:19-31 en Tobit 2:16 en 17 

C.wessel Volzin

De roeping van Samuel (1 Samuel 3)

*zwaait met papier* Weet u wat dit is? Dit is een papier dat ik in april van de landelijke kerk gekregen heb en dat verklaart dat ik min of meer in dienst van de kerk ben. En daarmee zou ik kunnen aantonen dat ik een cruciaal beroep heb. Daar mag u me toch wel mee feliciteren, hè. Cruciaal beroep.  

Weet u, het kan voorkomen dat ik ’s avonds geroepen word bij iemand die dat heel hard nodig heeft op dat moment en dan ga ik natuurlijk op pad, maar toch, zo’n papier staat me tegen. Omdat wij ons als predikanten dan ook voegen in het koor van mensen die roepen dat ze allemaal zo’n cruciaal beroep hebben en dat er voor hen een uitzondering gemaakt moet worden. Want dat is wat ik het afgelopen jaar gezien heb: beroepsgroepen die knokken voor zichzelf: ‘Wij zijn belangrijk, nee, wij zijn belangrijk’. Of sectoren die voortdurend lobbyen op de ministeries om de horeca niet te sluiten, om toch vooral geen restricties voor reizigers op Schiphol te hebben, om de winkels open te houden. Werkgevers die hun personeel verplichten om op de zaak te verschijnen. Mensen die roepen: maar mijn feestje is belangrijk.

Wat had ik het mooi gevonden als eind augustus – toen het al zonneklaar was dat er bij ongewijzigd beleid een tweede golf zou komen – Horeca Nederland had gezegd: ‘wij gaan nu vrijwillig dicht want dat is beter voor iedereen’. En dat Dick Benschop, de baas van Schiphol, dan gezegd had: ‘wat een goed idee’ dan sluiten wij Schiphol voor bijna alles. Dan had je een verkiezing gehad voor de baas van het jaar, die zijn personeel zo veel mogelijk en zo slim mogelijk thuis had laten werken. Dan was er een wedloop geweest wie zich het meest zou wegcijferen voor het algemene belang. Idealistisch gedacht, naïef? Nou, dat was zeker ook eigenbelang geweest. We hebben nu een jaar van de wedloop van het eigen belang, en van de eigen uitzondering achter de rug. Juist dat heeft ons gebracht in deze situatie: waarbij de horeca ook plat ligt, Schiphol leeg wordt en u een hond moet aanschaffen om ’s avonds over straat te kunnen. Bij die omgekeerde wedloop, een wedloop waarbij jij zelf verantwoordelijkheid had genomen en de ander voor had laten gaan, hadden we er veel beter voor gestaan.

Het verhaal over Samuel begint als alles donker is. Het is nacht, er brandt alleen het hele kleine lichtje van de Godslamp, maar ook dat zal spoedig doven. Het staat symbool voor de donkere tijd die er is. Van God is weinig te zien. De mensen merken niets van hem. Ze zien niets van hem, ze krijgen geen visioenen, ze hebben hem niet voor ogen. Donker is het helemaal voor de priester, voor Eli. Hij is blind. Juist de man van God zou moeten zien in een duistere tijd, maar nog meer dan anderen ziet hij niets. Hij is blind. Geen licht dringt er meer tot hem door.

Dat veel mensen niet geloven in God is niet het grootste probleem van onze tijd. Maar dat mensen zo hard geloven in hun eigen belangrijkheid, in de uitzonderlijkheid van hun sector en dat het goed is voor jezelf te knokken en dat het een goede natuurwet is dat de sterkste wint. Dat is de echte Godsverduistering, dat zijn de vreemde goden, die hun nieuwe aanbidders handenwrijvend verwelkomen.

En toch – en dat is zo geweldig en zo troostend aan het verhaal over Samuel -  ook in een donkere tijd roept God. Ook in een tijd dat er heel veel donker is en dat je misschien denkt: waar is God, roept God nog wel? God roept en hij roept ons op om kwetsbaren te beschermen, om het algemeen belang voorop te laten gaan. Hij roept mensen tot de dingen waar hij altijd al mee bezig was. Hij roept mensen tot vrede, tot gerechtigheid en vooral ook tot liefde. Hij roept mensen op om vol te worden van hem en van zijn liefde.

‘Blijf in mijn liefde’ is het thema van de huidige Gebedsweek voor de Eenheid waarin christenen over de hele wereld samen bidden. Ik heb deze week via een Zoom-sessie twee keer een uur gebeden met mensen uit de Witte Kerk en Crosspoint uit Nieuw Vennep en uit de Meerkerk, de Marktpleinkerk en de Graankorrel hier in Hoofddorp. Het zijn pogingen om – met alle verschillen die er zijn – ons samen te richten op de God die ons roept. Om Gods liefde te zoeken en daar in te blijven. Omhuld te worden door zijn liefde. En in Gods liefde blijven is dan: leven vanuit Gods liefde, geboren worden vanuit Gods liefde, handelen vanuit Gods liefde. Niet meer: ja, ik ben belangrijk, voor mij een uitzondering, maar: laat een ander maar voorgaan. Niet meer mijn sector mag wel, maar: laten wij nu dicht gaan en gaat u voor. En zelfs niet: ik moet op de IC, want ik ben belangrijk of ik ben productief of ik moet nog kunnen genieten van het leven: maar: gaat u voor. Dat is leven vanuit onze roeping, dat is leven vanuit de uitzonderlijke liefde van Christus. Amen.

24 januari 2021 Oecumenische dienst Hoofddorp 

C.wessel Volzin

De wijzen uit het Oosten

Op een dag lopen er mannen de poort van Jeruzalem binnen. Zij hebben andere kleren aan dan de mensen in Jeruzalem. Ze zijn niet van hier, dat ziet iedereen. Ze komen uit het Oosten. “Het zijn wijzen” wordt er gefluisterd. En dat zijn ze inderdaad. Magiërs, wijzen. Mannen van wijsheid en wetenschap. De wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid van de koningen van het oosten. Mannen die willen weten hoe de wereld in elkaar zit en waar het naar toe gaat met de wereld. Het puikje van de kennisdragers van de volken van buiten Israël. 

“Waar is de koning der Joden, die geboren is, vragen zij. Want wij hebben zijn ster gezien”. Ze hebben een teken van de hemel gezien. Een teken van God. Een ster, met een goddelijke betekenis: er is een nieuwe koning der joden geboren, die voorzien is van een teken van de hemel. Een gebeurtenis van belang voor alle volken van de wereld, een gebeurtenis van kosmisch belang. En de wijzen stellen het niet alleen vast, maar ze gaan ook op weg. Want dit teken kun je niet negeren. Je moet er iets mee doen en zij willen deze koning hulde bewijzen. 

Het is verbazingwekkend hoe open en lovend er door het evangelie gesproken wordt over de wijsheid van de volken. Er zijn tendensen in het christelijke geloof om alles wat niet precies christelijk is af te wijzen. Om weinig te verwachten van de kennis van wetenschappers, of van de kennis en religieuze overtuigingen van mensen met een andere godsdienst. Maar het evangelie laat zien, dat de volken van de aarde op grond van hun eigen kennis en waarden tot het inzicht kunnen komen dat de geboorte van Jezus iets heel bijzonders is, dat zijn komst een teken van God is. Op grond van wat er al is bij hen aan wijsheid en aan gaven. Het laat ook iets zien van de toegankelijkheid van het evangelie voor alle volken van de wereld.

Wat Mattheus hier vertelt is ook gebeurd. Heel veel mensen met andere geloven hebben gezien dat de geboorte van Jezus belangrijk is. En dan bedoel ik niet alleen dat het Christendom zich verspreidt heeft over veel volken, maar dat ook veel niet-christenen een hoge plaats aan Jezus toekennen en hem zien als iemand van God. Moslims noemen Jezus een profeet. Hij is in de Koran een belangrijk figuur. En een aantal verhalen uit het Nieuwe Testament staan ook in de Koran. Ook het hindoeïsme heeft zich met Jezus beziggehouden en hij is daar tot één van hun duizenden goden gemaakt. Het is allemaal een bewijs van de waarheid van wat de ster in het evangelie verkondigt: dat de volkeren van de aarde vanuit hun eigen wijsheid kunnen zien wat het belang is van Jezus.

Alleen als de wijzen gaan reizen komen ze wel uit bij het verkeerde adres. Want ze hebben dan het goddelijke teken gezien, maar de precieze duiding, daar zitten ze behoorlijk naast. Want ze komen uit in Jeruzalem, bij koning Herodes, en niet in Bethlehem. Vanuit hun eigen wetenschap, vanuit hun eigen wijsheid kunnen ze het goddelijke teken zien, maar dat je voor de nieuwe koning van Israël niet in de koningsstad Jeruzalem moet zijn, maar in de herdersstad Bethlehem, dat is iets dat ook de knapste koppen uit de volken niet uit zichzelf kunnen begrijpen. Dat die nieuwe koning een herderachtige gestalte zal zijn, een leidsman die zijn volk zal weiden, en niet een Herodes-achtige figuur in een machtige koningsburcht dat kunnen zij niet weten. Zij verwachten een god-achtige gestalte, op zijn minst een koning. Maar ze krijgen een knechtsgestalte. Een herder, barmhartig voor al de kleinen, rechtvaardig voor zijn kudde. Een lam te midden van schapen.

In dit misverstand heb je al voorspiegeld hoe later een heel aantal volken van de wereld naar Jezus zullen kijken. Een prima man, rechtvaardig, barmhartig, een groot revolutionair, een profeet. Maar dat deze man werkelijk een nederige en lijdende gestalte heeft gehad. Nee, dat maken velen niet mee. In de Islam wordt dan ook ontkend dat Jezus gekruisigd is. Want zo’n vernederende straf, zo’n straf van een misdadiger, dat kan niet met zo’n belangrijk man van God. Daarom wordt in de Islam verteld dat Jezus niet aan het kruis gestorven is. Sommigen zeggen dat hij vlak voor de kruisiging door God is weggenomen, en dat iemand anders in zijn plaats aan het kruis gespijkerd is en gestorven is.

Wie Jezus is, dat leer je alleen uit de Schriften van Israël. Daar moet je het in lezen En dat is wat de overpriesters en schriftgeleerden van Israël doen. Zij lezen de bijbel en alleen uit de bijbel, uit de geschiedenis van Israël met God blijkt wat voor soort koning dat zou moeten zijn, wat zijn afkomst is, waar hij vandaan komt: een herdersgestalte uit Bethlehem. Dat zegt iets over de kracht van de Schriften. Zonder de Schriften van Israël kom je niet te weten hoe de tekenen van God precies onder ons werken. Natuurlijk je kunt je er een voorstelling van maken: iets groots, met God en een kind. Maar alleen de Schriften van Israël wijzen ons op de plek waar je deze gestalte verwachten kunt: de herdersstad Bethlehem.

De wijzen kwamen aan het verkeerde adres. Maar de overpriesters en de schriftgeleerden doen iets dat nog verbazingwekkender is. Zij doen namelijk helemaal niets. De afstand van Jeruzalem naar Bethlehem is nog geen dag lopen. Maar zij verroeren geen vin. Niet geïnteresseerd in het teken van God in Bethlehem, waarschijnlijk zelfs doodsbenauwd voor hun eigen positie. 

  Zij lijken wel wat op vele kerken, die zeer goed thuis zijn in de eigen bijbel. Maar de tekenen van God in onze tijd niet zien. De grote tekenen in de wereld. Kerken die alleen maar bezig zijn met hun eigen overleven en geen woord voor de wereld meer hebben. Niet willen zien dat er dingen echt fout gaan – of juist heel goed. En zelfs het kleine dichtbij missen: de ervaringen die mensen met God hebben. Het wonder dat ze meemaken in hun leven. Want dat is maar raar en gek en niet keurig netjes.

Maar de wijzen gaan wel op weg. En dan gebeurt het dat de ster die de wijzen in het oosten gezien hebben opnieuw verschijnt. Als het actuele teken aan de hemel gecombineerd is met de kennis van de Schriften, verschijnt de ster opnieuw. Nu niet alleen als een teken aan de hemel van God dat er iets gebeurd is, maar nu als een gids, als een vuurkolom in de nacht. De alertheid om te letten op de tekenen van God in het heden gecombineerd met de kennis en wijsheid van de Schriften zorgt voor een vurig baken dat regelrecht naar het kind in Bethlehem leidt.

Voor het nieuwe jaar is dat denk ik onze opdracht: kijken naar de tekenen van God en ons geleid weten door de Schriften. Kijken wat er allemaal aan goeds gebeurd om ons heen: bij de voedselbank, bij burenhulp, bij de zorg voor zoveel mensen in het ziekenhuis. Maar ook bij de moskee, bij de buurtvereniging of op de universiteit. Als kerken kunnen we dat toejuichen en daarbij aansluiten. Laten we ook niet onderschatten wat mensen – wetenschappers, hindoes, moslims - zien van de wijsheid van God. 

En daarnaast zijn de wijzen gewoon goede voorbeelden voor ons beginnen in het nieuwe jaar: ga gewoon beginnen als je denkt iets te zien van God, ga gewoon op weg – misschien kom je niet helemaal goed uit in het begin, maar je zit alvast wel in de richting. Het komt later wel goed, als je je wil laten corrigeren, als je wil blijven luisteren door de Schriften. 

3 januari 2021 Mattheus 2:1-12

C.wessel Volzin

Psalm 90. Oudjaar 2020

De tijd kan je precies meten. Je kan precies meten hoe lang een seconde duurt. Een en twintig. Hoe lang een minuut, een uur, een jaar, honderd jaar. Maar behalve de meetbare tijd is er de tijd die je ervaart. En eigenlijk is dat de tijd waar we mee leven en die er toe doet. Soms lijkt de tijd voorbij te vliegen. Mensen die met pensioen zijn gegaan verzuchten vaak: wat is het snel gegaan: jeugd, werk, de kinderen klein, de kinderen groot. Het lijkt in een zucht voorbij te zijn gegaan. En er zijn dagen dat de tijd gevuld is. Een feestdag, een bruiloft waar je ieder moment van kan terughalen. In gemeten kloktijd net zo lang als iedere andere dag, maar elk uur, misschien wel elke minuut gevuld en memorabel. Het zijn dagen waarin je veel beleeft en waarin veel gebeurt.

Zo mooi dat die dagen een doel op zich geworden zijn. We zetten alles op alles om onze dagen zoveel mogelijk te vullen met waardevolle ervaringen. En daarvoor moet alles steeds sneller: reistijd moet steeds korter, zaken moeten sneller geproduceerd worden, ‘just in time’, steeds snellere computer chips. E-mails, die binnen een seconde naar het andere eind van de wereld flitsen in plaats van brieven. Goedkope vluchten zodat iedereen ook eens naar de Bahama’s kan. Heel ons leven is versneld, zodat we zoveel mogelijk in ons leven kunnen doen, kunnen ervaren, kunnen hebben. Tijd is schaars roepen we, tijd is geld. Ja, zelfs het concept van revolutie, Franse Revolutie, Russische Revolutie, gaat eigenlijk over onze omgang met de tijd: laten we in een keer de hele samenleving op zijn kop gooien, zodat we meteen, in een klap in een mooie nieuwe wereld belanden. Geen langzame ontwikkeling, maar nu! het einddoel.

Dit jaar met Corona lijken we de tijd op een andere manier te willen versnellen. Je zou willen dat het allemaal zo snel mogelijk voorbij is. Niet zoveel mogelijk gebeurtenissen in een korte dag proppen, maar doorspoelen. Dat het in een flits maart of april is, wanneer heel veel mensen zijn ingeënt en de epidemie  toch wat zal luwen. Dit zijn dagen van verveling – je kan niet zo veel – dagen van angst misschien ook wel – en je denkt laat het toch vooral voorbij zijn. Een beetje zoals je was als kind toen je zo snel mogelijk groot wilde worden. Daarom ook de boosheid dat Nederland zo achterloopt met vaccineren. Natuurlijk ook omdat die traagheid ziekte laat ontstaan en banen en mensenlevens kost, maar misschien is die boosheid ook wel: dan duurt het allemaal nog weer langer. Lege weken, verveelde weken en dat zijn in onze ogen: zinloze weken, want niet spannend, niet gevuld.

Vanuit hoe God de tijd ervaart stellen al die boordevol gestapelde levens niet zo heel veel voor. Vanuit zijn besef van tijd zijn onze levenstijd maar een ogenblik. Het is een tijd die zo voorbij is. Duizend jaar, niet meer dan dat uurtje dat je wakker ligt in de nacht. Half bij bewustzijn en daarna weer verder slapend. En in die tijd is een mensenkind, een kind van Adam, uit het stof gekomen en tot stof vergaan. Zo groot is de afstand tussen hoe God de tijd ervaart en ons leven.

Wij weten dat dat leven van ons – gevuld of niet gevuld – kort is. En dat ons leven lang niet altijd makkelijk is, wat we er ook aan proberen te vertimmeren. Mensen zijn ziek, hebben een pijn in hun hart die maar blijft opspelen en niet overgaat. Dat alles roept een gevoel op van zinloosheid. Wat is het leven waard, als het zo kort is en zo vol moeite. Meestal druk je die gedachte weg. Maar op een oudejaarsdag als vandaag – en helemaal omdat je vanwege de lockdown zo weinig kan - komt dat gevoel toch weer in je op. Komt die aan. En wij zijn niet de enige. Onze hele samenleving ervaart - bewust, onbewust - dat gevoel van zinloosheid: zoveel mogelijk doen, zoveel mogelijk ervaren, zo hard mogelijk werken. Je bent bang zijn om iets opwindends te missen, Fear Of Missing Out. De tijd die we hebben maximaal vullen is onze strategie tegen dat gevoel van zinloosheid. Als je je niet verveelt, knaagt dat gevoel van zinloosheid niet aan je. Want stel dat je niet meer in staat zou zijn je leven maximaal te vullen, dan zo wordt er gezegd, heeft je leven geen ‘kwaliteit’ meer. Dan zijn je dagen niet maximaal gevuld met ervaringen en dus – zeg men – zinloos. Als we niet bloeien zijn we dor hout.

De kortheid van ons leven en de moeizaamheid er van, zijn op een of andere manier verknoopt met de schuld van een mens ten opzichte van God: dat we niet meer in het paradijs wonen en ons kunnen voeden met de vruchten van de boom des levens: de schuld van de mens. Dat we niet zo lang leven als Methusalem, de schuld van de mens. Dat ons leven hard werken is en pijnlijk baren: de schuld van de mens. Ons leven is op allerlei manieren ingeperkt: in lengte van dagen, in kwaliteit van leven. God perkt dat in. En zelfs in de kortheid van onze dagen is er de toorn van God. Er komt niet alleen goedheid van God, weliswaar vooral goedheid, maar er is ook – hoewel veel minder en niet doorslaggevend – toorn, woede, vergelding. God is weliswaar liefde, maar hij is niet alleen maar lief.

Ieder mens heeft te maken met de kortheid van het leven en de zinloosheid er van. Als je gelooft, dan ben je zo gelukkig dat er nog een probleem bij komt: je verhouding tot God. Je leven blijft ongeveer even kort en je vragen over de zin van je leven blijven. Maar op het moment dat je God leert kennen, op het moment dat je zoals de psalm zegt je je schuilplaats bij God zoekt, je je woonplaats bij God zoekt, op dat moment krijgt je beperkte leven nog een andere invulling. Dan gaat het er in de eerste plaats om dat je, in dat korte leven van jou, God recht in de ogen kan kijken. Dan staat niet de kortheid van je leven voorop, maar je tekort schieten in je leven. Dan gaat het over je schuld en de omgang met die schuld. Dan gaat het er om een wijs hart te krijgen, zoals de psalm zegt. En dan zijn de vragen van tijd en eeuwigheid niet opgelost, maar je wordt geconcentreerd op het  verkrijgen van een wijs hart en het tellen van je dagen.

12 Leer ons zo onze dagen te tellen                                                                                      dat wijsheid ons hart vervult/dat wij komen tot een hart vol wijsheid.

Ja, de eeuwigheid – die grootste van alle tijdseenheden, die elke maat kleineert en verpulvert – die bestaat, maar het gaat om die korte tijdeenheid om de dagen van je leven. Om daarin tot wijsheid te komen.

De psalm zegt dus niet: wees zo nuttig mogelijk in je leven of vul je leven boordevol ervaringen of koers op een pijnloos bestaan, de psalm zegt: word wijs in je leven. En vul daar de dagen van je leven mee. Zoek de wijsheid van God, zoek zijn mededogen en liefde en laat die bloeien in je leven. 

Bid tot God. Om ontferming. Om liefde van zijn kant. Om vreugde. Om een goed nieuwjaar. Om een einde aan de Corona-epidemie. Om liefde voor de mensen.

Zie wat er komt: geen einde aan de kortheid van je leven, geen einde aan de verveling, maar wel een ontsnapping aan de manische ervaringsmachine en een opening voor een vervulling van ons hart met vrolijkheid, wijsheid en liefde.

De korte tijd van je leven is belangrijk. Het komt aan op de dagen die je hebt. Het vraagt concentratie. Maar de concentratie om tot een wijs hart te komen geeft een ander soort druk, dan de vraag naar: ervaar ik wel genoeg, mis ik niet alles (FOMO). Wijs worden heeft te maken met wat langere halen, het is meer de 10km dan de sprint, het is meer gestaag groeien, dan even knallen. Je wordt niet verpletterd door de druk, maar het vraagt wel focus.

Aan het begin van de psalm ging het over God die de bergen baarde en de aarde voortbracht. Over Gods werk. Aan het einde van de psalm gaat het over ons werk. ‘Het werk van onze handen bevestig dat’. Dat is een gebed om een vruchtbarend leven voor ons. Want een wijs hart brengt goede vruchten voort. Vruchten die goed zijn in Gods ogen en even blijven. Nee, het is er niet voor de eeuwigheid, maar het kan misschien doorgegeven worden als iets goeds aan een volgende generatie. Het werk van onze handen bevestig dat.